Column Pieter Hendrikse

Nu de spanning van de examenuitslagen achter ons ligt, volgt voor het overgrote deel van de geslaagden het minstens net zo spannende begin van een nieuwe studie. Het moment waarop zij voor het eerst op zichzelf gaan wonen, het liefst al in het eerste jaar. Maar het vinden van een kamer is een groot probleem. Universiteitssteden laten een grote kans liggen om deze groep slimme jonge mensen aan zich te binden.

Ieder jaar stromen in Nederland 100.000 studenten in in het hoger beroepsonderwijs. Op de universiteiten zijn dat er 50.000. Voor internationale studenten en studenten die ver van hun woonplaats gaan studeren, geldt dat ze al direct woonruimte nodig hebben. Goede huisvesting voor deze groepen is niet alleen nodig om de studie mogelijk te maken, het is een randvoorwaarde voor onze kenniseconomie.

Betaalbaarheid en kwaliteit

De praktijk is dat er onvoldoende wordt gebouwd om studenten goed te kunnen huisvesten. Overlegstructuren en actieplannen om de kamernood tegen te gaan bestaan al, maar de bouwambitie blijft achter bij de vraag. In en rond Amsterdam worden in de komende jaren 10.500 woningen voor jongeren en studenten bijgebouwd. In en rond Utrecht zijn dat er maximaal 2750. Het is niet genoeg, waardoor een belangrijk deel van de kamerzoekers aangewezen blijft op thuiswonen, de naar verhouding weinige verenigingshuizen of huisjesmelkers, die handig inspelen op de kamerschaarste. De betaalbaarheid en kwaliteit van deze kamers laat in veel gevallen te wensen over.

Studenten hebben de stad veel te bieden: op het gebied van dynamiek, economie en betrokkenheid bij hun omgeving. Studenten vertegenwoordigen een nieuwe generatie en zijn daarmee net zo belangrijk voor de vitaliteit van onze steden als andere demografische groepen. Universiteitssteden zouden de nieuwe lichting eerstejaars moeten zien als een verrijking, ze als bewoners moeten verwelkomen en ze vragen om mee te doen in de stad en de stad verder te ontwikkelen.

Typetje

De crux is de manier waarop overheden tegen de student aankijken. De eeuwige student is inmiddels een typetje uit het verleden en gemeenten zien het verblijf van een student vooral als iets tijdelijks. Ze nemen de verantwoordelijk om de ergste nood te lenigen, maar laten het na om studenten echt te binden met een structureel woningaanbod.

De studentenkamer is de eerste aanzet voor een wooncarrière. Gemeenten zouden die start veel beter kunnen faciliteren door plekken in de stad aan te wijzen voor studentenhuisvesting van goede kwaliteit.

Investering

Ik pleit ervoor om studentenhuisvesting veel meer te benaderen als een investering voor de lange termijn. De eerstejaars van vandaag groeien in gemiddeld vijf jaar uit tot jonge, hoogopgeleide starters op de arbeidsmarkt. En op de woningmarkt. Een groot deel van de afgestudeerden wil na vijf jaar studie graag blijven wonen in de stad waar ze gestudeerd hebben. Echter, de doorstroming naar een betaalbare eigen woning, zoals een huisje of appartement is vaak moeilijk te realiseren, waardoor jonge professionals noodgedwongen van woning naar woning of zelfs van woonplaats naar woonplaats blijven hoppen. Stadsbesturen, corporaties, beleggers en ontwikkelaars zouden samen moeten optrekken om voor deze belangrijke groep inwoners een keten van woonmogelijkheden te creëren in de stad. Als je wil dat de student naar je stad komt, waarom stuur je hem dan weer weg na een paar jaar?

Meer columns van Pieter Hendrikse lees je hier.
Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl