Jan Latten

Column Jan Latten

Het aantal zilveren bewoners in neemt komende jaren fors toe. Tegelijkertijd dringt langzamerhand door dat verduurzamen van de woningvoorraad niet kan zonder ouderen erbij te betrekken. Allemaal leuk en aardig, maar hebben ouderen daar wel trek in? En waar liggen de verschillen?

Het is een voldongen feit: driekwart van de zestigers wordt minimaal tachtig. Tegelijkertijd zullen toekomstige tachtigers vaker zelfstandig wonen. De jongste generatie ouderen komt daardoor voor de vraag te staan of ze misschien toch nog eens zullen verhuizen, hun huidige woning aanpassen aan een afnemende zelfredzaamheid of zelfs investeren in een duurzame woning.

Niet alle ouderen hebben hier zin in, zo bleek uit een belevingsonderzoek van het  Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse Gemeenten (SVn). Op zich niet vreemd, want het leven zit niet iedereen mee. Verschillen tussen ouderen zijn een feit en verdienen volgens mij meer aandacht in beleid. Wat bijvoorbeeld gemakkelijk wordt vergeten is dat een gemiddelde levensverwachting niet voor elke oudere afzonderlijk geldt. En dat is relevant, want in feite kun je levensverwachting gelijkstellen aan ‘woonverwachting’.

En hoe zit het dan met zo’n ‘woonverwachting’, hoe is die verdeeld? Want stel, je hebt als oudere een extra lange woonverwachting, dan loont het meer om te investeren in duurzaamheid of een andere woning dan bij een korte woonverwachting.

Opleiding als voorspeller van woonverwachtig

Gemiddeld mag een 65-jarige ervan uitgaan nog circa twintig jaar te leven, vrouwen iets langer dan mannen. Maar zo’n gemiddelde versluiert grote verschillen in levensverwachting ofwel woonverwachting. Want wat blijkt? Naast sekse is opleiding een cruciale voorspeller van woonverwachting. Een 65-jarige hoogopgeleide vrouw heeft gemiddeld nog een wooncarrière van circa 24 jaar voor de boeg, sommige zelfs dertig of meer, terwijl de wooncarrière van een laag opgeleide man na circa 17 jaar voorbij kan zijn. Dat levert tussen deze uitersten een verschil van zeven woonjaren op.

Hoogopgeleide vrouwen zijn trendsetters

Een hoogopgeleide vrouw kan daarmee gemiddeld het langst genieten van een nieuwe woonfase. Ook al omdat haar partner meestal al eerder is overleden. Zij hebben het meeste baat bij investeren in nieuwe woonvormen of in duurzaamheid. In hun woongedrag kunnen hoogopgeleide vrouwen daarmee worden gezien als trendsetters voor nieuwe woonvormen: gezellig samen in een modern hofje, sociaal delen op een vriendenerf, of als stadsveteranen in een ‘Friends-appartement’.  Zelfs de aankoop van een nieuwe woning kan lonen. De kans dat een hoogopgeleide vrouw een 30-jarige hypothecaire lening weet af te lossen is immers groter dan bij andere groepen in de samenleving. Financieel hebben deze vrouwen daarmee de grootste kans om investeringen in duurzaam wonen terug te verdienen.

Vergeet de laagopgeleide man niet

Beleidsmakers, spreek vooral deze vrouwen aan om ouderen te enthousiasmeren voor duurzaam wonen, kijk goed wat deze vrouwen doen. Zij brengen u op nieuwe ideeën over een langere zelfstandige wooncarrière. Maar vergeet daarbij niet de laagopgeleide man. Hij verdient ook aandacht bij al die duurzaamheidsinspanningen, maar moet anders  worden benaderd. 

Meer lezen van Jan Latten? Lees dan 'Is de krappe woningmarkt anticonceptie voor millennials?' en 'Waar moeten al die huizen komen? Funda geeft raad'
Meer over het belevingsonderzoek van het SVn vindt u hier.
Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl