Om onze drinkwatervoorziening in de verre toekomst veilig te stellen, moeten nu al ruimtereserveringen worden gedaan. Maar onze drinkwaterbedrijven hebben steeds meer concurrentie te duchten van nieuwe ruimtegebruikers in met name de diepe ondergrond, zoals geothermie en bodemenergie. Drinkwaterbedrijf Vitens maakt zich zorgen verontreinigingen die door booractiviteiten kunnen optreden in zogenaamde strategische aanvullende grondwatervoorraden. Ondertussen draagt de provincie de vergunningverlening rond veel bodemactiviteiten over aan gemeenten, die daar amper op voorbereid zijn. Hoe houden we grip op schoon drinkwater?

De Utrechtse gedeputeerde Mariëtte Pennarts waarschuwde onlangs op haar LinkedInpagina dat de drinkwaterwinning in de knel komt door toenemende drukte in de ondergrond. Volgens de GroenLinks-politicus moeten gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven letterlijk hun kop in de grond steken om er zorg voor te dragen dat de de rinkwaterfunctie niet in de knel komt.

‘De vraag naar drinkwater wordt de komende decennia nog veel groter. Tegelijk leggen nieuwe, alternatieve vormen voor fossiele energieopwekking een claim op de ondergrond zoals WKO (warmtekoudeopslag, red.), geothermie, warmtepompen et cetera. Dat vraagt om heel veel onderlinge afstemming.’

‘Het gaat om functies die elkaar uitsluiten’, zegt Peter Salverda, strategisch omgevingsmanager bij drinkwaterbedrijf Vitens. ‘Geothermie en drinkwater kunnen niet samen in hetzelfde gebied, omdat geothermie risico’s met zich meebrengt voor grondwater. Het is niet direct verontreinigend, wel in potentie verontreinigend. Door bijvoorbeeld lekkende putten en leidingen en chemische oplossingen die in die leidingen gebruikt worden (om bv roest tegen te gaan. red), loop je het risico op verontreiniging van grondwater. Dat is een onbeheersbaar risico voor drinkwaterwinning. En je wil met die primaire levensbehoefte
geen risico’s nemen.’

Vanwege dit risico op lekken en verontreiniging van de grondwatervoorraden, kondigde het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) eerder dit jaar aan strenger te zullen toezien op booractiviteiten. Dat staat nog los van seismische risico’s die met name boren in de diepe ondergrond met zich meebrengt.

Nieuwe spelregels

‘Boven de grond is alles zichtbaar en adresseerbaar. Onder de grond is het een “black box”. We weten veel dingen over de ondergrond niet. En dat is zorgwekkend, mede omdat naast nieuwe claims die er worden gelegd op de ondergrond, onder de naderende Omgevingswet ook verantwoordelijkheden gaan schuiven’, zegt gedeputeerde Pennarts aan de telefoon. Wat niet verandert, is dat het rijk kaders stelt via de Structuurvisie Ondergrond. Alle activiteiten die dieper dan 500 meter plaatsvinden zoals diepe geothermie, vallen onder de Mijnbouwwet. Het ministerie van Economische Zaken is hier het bevoegd gezag, met de SodM als toezichthouder. De provincie is en blijft verantwoordelijk voor het zoeken én aanwijzen van aanvullende strategische (grondwater)voorraden (ASV’s) en is vergunningverlener voor drinkwaterbedrijven. Maar op de dag van de invoering van de Omgevingswet, naar verwachting 1 januari 2021, moet de gemeente toezien op een juiste omgang met bodemverontreiniging en een juiste sanering van verontreinigde bodem en grondwater. Deze taak, die valt onder de Wet bodembescherming (Wbb) ligt nu bij de provincie en een dertigtal ‘bevoegd gezag gemeenten’. In veel provincies is al een begin gemaakt met de voorbereiding van overdracht van bodemdossiers. ‘In de praktijk komt het erop neer dat de vergunningverlening rond veel bodemactiviteiten (niet zijnde winactiviteiten van drinkwaterbedrijven en open WKO-installaties waarvoor water uit de omgeving wordt betrokken en waarvoor de provincie het bevoegd gezag blijft) bij de gemeente komt te liggen’, legt Pennarts uit. En dat baart haar zorgen. ‘Gemeenten worden bestookt met nieuwe aanvragen voor de aanleg van (gesloten, red.) WKO-installaties en warmtepompen. Tegelijkertijd is er bij deze gemeenten vaak niet veel kennis aanwezig over de bodem. Ondertussen is het wel aan de gemeenten om verschillende belangen – ook in de ondergrond – zorgvuldig af te wegen bij de totstandkoming van het omgevingsplan (het nieuwe bestemmingsplan, red.)’.

Ook Salverda van Vitens is wat dit betreft niet gerust. ‘Gemeenten krijgen heel veel nieuwe taken met invoering van de Omgevingswet. Ze komen met onderwerpen in aanraking waar ze nog niet alle kennis van hebben en waar ze soms ook niet op voorbereid zijn. Begrijpelijk, maar daar zit in relatie tot drinkwater echt wel een zorgpunt. Ook de aanpak van bodemverontreinigingen komt deels bij de gemeente te liggen. Op het moment dat bij de overdracht van verantwoordelijkheden geen middelen meekomen, is de vraag hoeveel prioriteit gemeenten in sanering stellen, wat wel nodig is in het kader van het borgen van onze drinkwatervoorziening.’

Grondige afspraken

De verdeling van verantwoordelijkheden onder de Omgevingswet maakt dat onderlinge afstemming volgens Pennarts alleen maar belangrijker wordt. Dat is volgens haar het enige antwoord om drinkwaterbelangen aanhangig te maken. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten dragen samen de zorgplicht voor een veilige en duurzame drinkwatervoorziening. Maar aangezien het gaat over een bovengemeentelijk en langetermijnbelang, benadrukt Pennarts dat provincie en ook het Rijk zich het belang van een goede drinkwatervoorziening zwaar moeten aantrekken. Iedereen mag wat betreft de gedeputeerde iets harder lopen. ‘Grondige afspraken maken, daar begint het mee.

En het besef bijbrengen dat je niet zomaar overal in de grond kunt prikken.’ Ook Salverda ziet graag meer afstemming, ook tussen de gemeenten onderling. ‘Hoe gaan gemeenten in de omgevingsplannen het drinkwaterplan borgen en hoe voorkomen we dat iedere gemeente daar een andere invulling aan geeft? Nu zijn er harde regels in de provinciale omgevingsverordeningen, waarin uitsluiting van aardwarmte in drinkwatergebieden uitgangspunt is. Daarom zullen we het drinkwaterbelang bij alle 110 gemeenten die in ons verzorgingsgebied liggen onder de aandacht moeten brengen en actief moeten zoeken naar mogelijkheden om functies te versterken. Best een ingrijpende klus.’

Verduurzaming is meer dan energie

Salverda benadrukt dat Vitens zeker niet tegen de energietransitie is, maar stelt dat verduurzaming verder gaat dan enkel energie. ‘We zijn ons heel bewust van het belang van de energietransitie. We investeren zelf ook in de verduurzaming van onze eigen energievoorziening,’ zegt hij. 'Maar verduurzaming betekent ook een schone leefomgeving en schone drinkwaterbronnen. Geothermie wordt gezien als groen omdat het niet fossiel is. Maar daarmee wordt voorbijgegaan aan risico’s als verontreinigingen door lekkende leidingen en anticorrosiemiddelen. Of het doorboren van waterdichte lagen die verontreinigingen tegenhouden en daarmee het watervoerende pakket kunnen binnentreden. Daarmee kan een ASV in één klap onbruikbaar worden. Geothermie en drinkwaterwinning laten zich niet combineren. Het Rijk schrijft daarom functiescheiding voor en het SodM heeft hier het bevoegd gezag over. Bij het zoeken van de ASV’s in gebieden proberen wij daarom buiten de gebieden te blijven waar toekomstplannen zijn voor aardwarmte. Hierover vindt afstemming plaats tussen de Regionale Energie Strategieën (RES)-processen en de ASV-processen. Zo zitten we elkaar niet in de weg en maken we meer ruimte voor aardwarmte in de RES’.

Niemand heeft het alleenrecht op de ruimte. En in de lijn met de filosofie van de Omgevingswet zoekt ook Vitens naar manieren om ruimte te delen. Productiebedrijf “het Engelse Werk” bij Zwolle is een voorbeeld van een geslaagde functiecombinatie, waarbij verschillende functies zoals recreatie en drinkwater elkaar niet in de weg zitten, maar elkaar juist versterken. ‘Wij willen echt functiescheiding’, benadrukt Salverda. Hij is best bereid te praten over verschuiving van een wingebied, al is verplaatsing ontzettend kostbaar. Uitgangspunt zou moeten zijn dat het maatschappelijke meerwaarde oplevert. Het moet leiden tot win-wins. Ook voor de drinkwatervoorziening. In alle gevallen zouden nieuwe ruimtereserveringen moeten worden gedaan voor drinkwater, op locaties waar gegarandeerd niet geboord wordt. Het ene op de ene plek, het andere op de andere plek’, besluit Salverda.

Drie schillen
Grondwater is soms wel 25 jaar tot 100 jaar onderweg voordat het opgepompt wordt. Dat betekent dat de activiteiten die vandaag plaatsvinden in de leefomgeving soms pas op heel lange termijn merkbaar zijn. De ruimtelijke vertaling van het drinkwaterbelang is daarop gebaseerd. De grond direct rondom winputten heet het waterwingebied. Binnen dit gebied heeft het grondwater maximaal 60 dagen nodig om de filters van de winning te bereiken. In een waterwingebied mogen bijvoorbeeld alleen activiteiten plaatsvinden voor de drinkwaterproductie. Het grondwaterbeschermingsgebied ligt als een schil om het waterwingebied heen. De buitengrens wordt gevormd door de lijn vanwaar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de filters van de winning te bereiken. In een grondwaterbeschermingsgebied mogen geen risicovolle activiteiten plaatsvinden. Een begraafplaats of opslag van olie bijvoorbeeld. Voor deze beide schillen gelden dus (zeer strenge) regels als het gaat om andere activiteiten dan de productie van drinkwater. Deze regels worden vastgesteld in de provinciale omgevingsverordening en door gemeenten en provincie samen gehandhaafd. ‘Onze zorg zit in de buitenste schil’, vervolgt strategisch omgevingsmanager Peter Salverda van Vitens. ‘Deze wordt gevormd door het intrekgebied. Dit gebied wordt beschermd met tenminste een honderdjaarsgrens. Vanaf de rand van deze zone doet het water er dus maximaal 100 jaar over om onze winputten te bereiken. Wat in dit gebied wel en niet is toegestaan valt onder de lokale afwegingsruimte van gemeenten. Salverda benadrukt dat het daarbij heel belangrijk is de risico’s voor de drinkwatervoorziening daarbij volledig worden meegewogen. ‘Je doet geen concessies ten aanzien van drinkwater.’
Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl