Amsterdam Ruimtedruk

Foto: Mariano Mantel

‘Bedrijvigheid wordt steeds meer de stad uitgedrukt.’
‘Met de huidige marktdruk vinden zorgvoorzieningen straks geen plek meer.’
‘Straks hebben hippe koffiebars alle buurtwinkels verdreven.’
‘Stedelingen kunnen op steeds minder plekken hun auto laten repareren.’
'Kunst wordt binnen de Ring niet meer gemaakt, maar nog slechts verhandeld.'

Zowel buiten als binnen het Amsterdamse gemeentehuis zijn dit soort zorgen regelmatig te horen. Zij getuigen van een grote druk op de stad, het zijn de wrange neveneffecten van stedelijk succes. In die zin zijn het luxeproblemen; mijn vorige werkgemeente, het krimpende Den Helder, zou er waarschijnlijk graag een paar van overnemen.

Uitsortering

In gewilde steden strijden vele functies om schaarse plekken, een proces waarbij zwakke, laagcalorische functies er worden uitgesorteerd. Als dat maar lang genoeg duurt, dan blijft er een stad over met functies die de meeste euro’s per vierkante meter opbrengen. Meestal zijn dat vrijesectorwoningen, hotels, high end-kantoren, ketenwinkels en andere verschijningsvormen van multinationals. En geen reparatiebedrijfjes, geen huisartsenpost, geen Antilliaans eethuis, geen handwerkwinkeltje, geen rafelranden.

Dat zo’n uitsorteringsproces een slechte, oneerlijke of saaie stad kan opleveren, ziet bijna iedereen. Toch zijn er bij onze omgang met zwakke functies meestal twee denkrichtingen.

De ene school zegt dat onder hoge druk uitsortering onafwendbaar is. Het is te onrealistisch en te duur om recht tegen natuurlijke processen in te roeien. De markt is uiteindelijk altijd slimmer. Wie er te veel tegenin gaat, werkt speculatie, onderverhuur, zwart geld en andere perverse effecten in de hand. Deze school vindt meestal ook dat er met bijvoorbeeld sociale huurwoningen op de Zuidas miljoenen worden weggegooid. Miljoenen die aan allerlei goede zaken hadden kunnen worden besteed.

Bovendien: in hartje Parijs zijn er ook nauwelijks nog onrendabele functies als productieloodsen of voetbalvelden te vinden en daar wordt maar weinig over geklaagd. Want een stad, en eigenlijk elk gebied, is een package deal. You can’t have it all.

Uitdoving

De andere school zegt juist dat diversiteit boven alles gaat. Een maakbedrijf, een speeltuin of een sociale huurwoning is boekhoudkundig misschien een verliespost, maar kan breder bezien van net zo’n waarde voor een gebied zijn als een vijfsterrenhotel. Het is juist het samenspel dat de meeste waarde creëert, maatschappelijk èn economisch. Eén plus één is drie. Want een goede stad is niet alleen vestigingsplaats voor dure bestaande functies, maar ook broedplaats voor goedkope nieuwe functies. De stad die voor dat laatste geen ruimte meer biedt, zal langzaam uitdoven. Deze school beschikt daarnaast over een krachtig moreel argument: een inclusieve stad is er voor iedereen.

‘When a place gets boring, even the rich people leave.’

Aangezien beide scholen een punt hebben, moeten we bij onze koersbepaling dus met beide rekening houden. De koopman en de dominee, zogezegd. Good old Jane Jacobs geloofde dat uitsorteringsprocessen zich uiteindelijk tegen zichzelf keren. Ze zei ooit: ‘When a place gets boring, even the rich people leave.’ Maar zover willen we het natuurlijk niet laten komen. Behoud van diversiteit is dus belangrijk, om allerlei goede redenen: inclusiever, wederkeriger, stabieler, duurzamer, veiliger, leuker.

En als de markt uit de bocht dreigt te vliegen, dan zal de overheid moeten tegensturen. Een soort Keynesianisme in de ruimtelijke ordening. Maar ja, hoe bepaal je nu wanneer je moet tegensturen en wanneer maar beter niet? Ik kom tot drie overwegingen.

Tegensturing

  1. Kijk of de betreffende wijk iets aan een lagewaardefunctie heeft of niet. Dat geldt wel voor bijvoorbeeld een buurtwinkel of een stadsverzorgend bedrijf, maar niet voor grondstoffenopslag voor een nationaal opererend bedrijf. Die mag dus wel naar buiten worden gedrukt.
  2. Kijk naar de mate waarin een functie ergens is. Als een wijk bijvoorbeeld nog beschikt over veel buurtwinkels of sociale huurwoningen, dan is het niet zo erg als er een paar verdwijnen.
  3. Vind compromissen in de tijd. Accepteer bijvoorbeeld dat extensieve maakbedrijven (‘de sociale huur van de economie’) uiteindelijk naar buiten worden gedrukt, maar probeer dat met tegensturing nog een jaar of tien uit te stellen. Want dat is mooi meegenomen, als je bedenkt hoeveel nuttige economische spin-offs al die extensieve bedrijvigheid in die tien jaar nog genereert. Daar kan de groeiende stad weer mooi verder mee.

In Amsterdam wordt nu steeds meer tegengestuurd. Critici noemen dat deels symptoombestrijding, want de druk op de stad blijft gewoon toenemen. Oplossingen genereren daardoor vaak weer nieuwe problemen. Dat levert soms bijzondere redeneringen op. Zo hoorde ik weleens een pleidooi om (nieuwe) stadswijken niet zo aantrekkelijk te maken, want dan trekken ze nog meer gentrifiers aan en worden vastgoedprijzen nog hoger. 

'Als mensen met hun volle verstand kunnen denken dat een stad beter wordt van een lagere kwaliteit, dan wordt een heldere strategie wel heel moeilijk.'

Allemachtig. Als mensen met hun volle verstand kunnen denken dat een stad beter wordt van een lagere kwaliteit, dan wordt een heldere strategie wel heel moeilijk. Het doet me wat denken aan wetenschapsfilosoof Lindblom, die stelde dat bij het maken van beleid ‘voortmodderen’ het hoogst haalbare is. Planologen met hogere ambities: u bent gewaarschuwd.

Martin van der Maas
Planoloog gemeente Amsterdam

Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl