Leen Verbeek Vitale Groene Stad

Foto: Leen Verbeek

Leen Verbeek, commissaris van de Koning in Flevoland

Leen Verbeek, commissaris van de Koning in Flevoland en voorzitter van Vereniging Deltametropool, stelt dat de verschillende belangen rond het landschap alleen te behartigen zijn door ‘de complexiteit’ te omarmen. Alleen door die belangen op elkaar af stemmen kan het landschap als vestigingsvoorwaarde fungeren. ‘De kwaliteit van de leefomgeving is de belangrijkste economische asset.

Dit is een ingekorte versie van een artikel uit vakblad Vitale Groene Stad.

‘Als Vereniging Deltrametropool propageren wij dat Nederland bezig is een stadstaat te worden’, zegt Verbeek. ‘De Randstad is te klein geworden voor alle vraagstukken die er liggen. In economisch opzicht moet je ook kijken wat er in Antwerpen, Aken, Frankfurt, Hamburg gebeurt. De economische grens van de Randstad verschuift steeds verder. Nederland is de enige metropool met veel groen in de metropool, dat komt elders niet voor.’

In een van de sessies met andere metropoolorganisaties werd Verbeek gewezen op een debat in 1908 over de groenstructuur in Amsterdam. ‘In die tijd ontstond het idee over de groenescheggenstructuur. Amsterdam is in kringen van internationale ontwerpers nog altijd beroemd om de groene longen die toen in de ruimtelijke ordening gereserveerd zijn. Het besef dat je het groen in de stad moet integreren en het niet met een paar parken kunt oplossen. Die structuur staat helaas onder druk door de gigantische druk op de werk- en woningmarkt van Amsterdam.’

Frankrijk werkt integraler dan Nederland

Verbeek vindt dat dit begint met plannen. Tegenwoordig wordt in een land als Frankrijk slimmer gepland dan in Nederland. ‘Ze integreren het veel meer in de planvorming. Als je een expertmeeting organiseert over het IJsselmeer, dan zitten er waterliefhebbers aan tafel, maar geen economen of stedenbouwers. Het zijn redelijk saaie bijeenkomsten, want men is het met elkaar eens: het IJsselmeer moet beschermd worden. Maar de vraag hoe het gebied zich verhoudt tot de omringende ontwikkelingen komt niet aan de orde. En dan zeg ik: jongens, het moet integraler. Ik verwacht in dat opzicht veel van de invoering van de Omgevingswet, hopelijk komt die benodigde cultuurverandering echt van de grond.’

'Ik verwacht in dat opzicht veel van de invoering van de Omgevingswet, hopelijk komt die benodigde cultuurverandering echt van de grond.’

Verbeek vertelt over de spiegel die andere metropolen Nederland voorhouden bij de studie ‘Blind Spot’. ‘Toen zeiden ze: jullie waren in de tijd van de Vinex-groeikernen het gidsland in Europa. Ze vinden nu dat Nederland in die Vinex-tijd is blijven hangen, terwijl ze zelf zijn doorontwikkeld. Ze vinden ook dat Nederland te weinig aan complexe vraagstukken werkt: ‘Jullie zouden meer moeten houden van complexe vraagstukken, en daarbij gebruikmaken van metadata.’’

Verbeek wijst op de ontwikkeling van de mobiliteit in de regio groot-Parijs. ‘Ze investeren nu op een veel groter schaalniveau in het metrosysteem dan wij ooit gedaan hebben. Wij hebben te lang geweigerd om op dat niveau te denken. De grote Randstad mist een samenhangend mobiliteitsplan. De ov-systemen van Rotterdam en Den Haag groeien naar elkaar toe, maar sluiten niet aan. Een Haagse tram kan niet in Rotterdam rijden. We hadden al lang kunnen plannen dat op den duur de hele Randstad op één railsysteem draait.’

'De grote Randstad mist een samenhangend mobiliteitsplan.'

Kwaliteit leefomgeving belangrijkste economische asset

In de groenstructuur doet zich hetzelfde voor, vervolgt Verbeek. ‘Voor de BV Nederland is, om in de internationale economie mee te kunnen, de kwaliteit van de leefomgeving in stedelijk gebied de belangrijkste economische asset. Vroeger verhuisden de mensen naar het werk, nu verhuizen bedrijven naar gebieden waar ze mensen kunnen krijgen. Als de kwaliteit van de leefomgeving niet van hoog niveau is, verhuizen mensen naar gebieden waar ze die kwaliteit wel kunnen krijgen.’

Het landschap speelt bij de kwaliteit van het geheel een grote rol, stelt Verbeek. ‘We hebben landschappelijk allerlei parels gemaakt, zoals mooie parken en mooie beschermde cultuurhistorische gebieden zoals Waterland en, nog iconischer, het Groene Hart. Tegelijk hebben we de neiging daaraan te knabbelen.’ Dit hoeft niet per se nadelig te zijn denkt Verbeek: ‘We dachten een tijd lang dat we gebieden eindeloos konden conserveren, maar of je het nu leuk vindt of niet, gebieden ontwikkelen zich altijd en dat biedt ook kansen.’

Groene economische waarde

Verbeek wijst op de inklinking van de polder. ‘Er zijn gebieden die te nat worden voor landbouw. Dan zijn de vragen: Wat ga je daarmee doen?; Wat zijn de afspraken met het waterschap?; Kun je de boeren verleiden naar oogsten te gaan, waarbij hoge grondwaterstanden acceptabel zijn of kies je ervoor om meer ruimte te geven aan natuur? Als Nederland ook op deze manier doorgaat is het niet ondenkbaar dat het land over 150 jaar helemaal volgebouwd is. We willen juist vasthouden dat we als bijzondere metropool veel groen binnen onze grenzen hebben. Welke kwaliteit moet je het geven, zodat iedereen ervan afblijft? Zelfs het bedrijfsleven, bijvoorbeeld VNO-NCW, is gevoelig voor gebieden met hoge kwaliteit. Dat heeft economische waarde.’

'Welke kwaliteit moet je het geven, zodat iedereen ervan afblijft?'

Bouwen in het groen is volgens Verbeek echter niet per se een schande. ‘Als je naar Nederland kijkt als een stad, kom je mogelijk tot andere ruimtelijke composities. Kijk naar Almere. Dat kan probleemloos doorgroeien naar 400.000 inwoners. Die gebieden zijn er al voor gereserveerd en dat is qua grond het slechtere deel van de polder. Er moeten toch nieuwe woningen worden gebouwd, doe het dan op strategische plekken en ga niet tornen aan de groene gebieden waar we veel waarde aan hechten.

Groen en landschap bekijk je niet alleen vanuit een sectorale strategie, maar ook vanuit economie, mobiliteit, huisvesting, de sociale agenda. Breng dat met elkaar op een logische manier in verband. Plan nieuwe woonwijken in samenhang met het ov. Dan moet je vooraf een beeld hebben van de mensen die daar gaan wonen, waar ze werken en hoe ze willen recreëren. Dan moet die recreatie, ongetwijfeld in de vorm van natuur, ook binnen handbereik zijn.’

Inspiratiepark De Hoge Kempen

Verbeek noemt het Belgische nationaal park De Hoge Kempen als een groot voorbeeld voor zijn provincie. ‘Het park kent meerdere toegangspoorten, elk met een andere identiteit. Het publiek kan uit die poorten kiezen, zoals een poortgebied met industrieel erfgoed. Vanuit die gebieden kunnen ze ook in contact komen met de natuur. Die poortgebieden functioneren economisch zo goed, dat ze het park daarmee kunnen onderhouden.

Die kant willen we, in samenspraak met Staatsbosbeheer, ook op met de Oostvaardersplassen. Dat doen we op aangewezen plekken vanuit Almere en Lelystad, zodat we de natuur geen schade toebrengen. Zo kun je zelfs directe economische revenu halen uit natuur.’

Leen Verbeek cv
Leen Verbeek (64) begon zijn loopbaan als jongerenwerker in Leiden en was ambtenaar bij de gemeente Utrecht. Van 1990 tot 1994 was hij wethouder Vinex in de gemeente Houten. Daarna had hij van 1994 tot 2003 een adviesbureau in conflict- en procesmanagement rondom ruimtelijke vraagstukken. In 2003 werd Verbeek burgemeester van Purmerend, waarbij hij zitting nam in het bestuur van Metropoolregio Amsterdam. Vanuit deze functie raakte hij ook betrokken bij de Vereniging Deltametropool, waarvan hij in 2013 voorzitter werd. Sinds 2008 is Verbeek commissaris van de Koning in Flevoland.

Ook interessant voor u: ‘Groene ontwikkeling kan alleen met overtuigde partners’ 

Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl