‘Participatie is goed en participatie moet.’ Een uitspraak die treffend de hoofdwet van de risicocommunicatie samenvat. Hoewel overheid en bedrijfsleven participatie meer en meer omarmen, weten zij hardnekkige hobbels op het participatiepad maar niet te slechten.

Het betrekken van de burger, de klant, de medewerker, de gebruiker, de patiënt, de toeschouwer, eigenlijk van iedereen, staat vandaag de dag centraal in nagenoeg alle communicatieactiviteiten. Dat verloopt met vallen en opstaan. Een hardnekkige valkuil is de neiging de ander te overtuigen van het eigen gelijk. Participatie op een dergelijke manier inzetten is gebaseerd op ijdele hoop en pakt meestal contraproductief uit. Engelssprekenden reppen in dit verband treffend over 'token participation'.

Voorzichtig

Neem biotechnologie, een onderwerp waarop het Rijk graag de discussie met de maatschappij wil aangaan. De eerste vraag die dan opkomt is: waarom? Dat is niet alleen de vraag die bij mij opkomt, maar bij de meeste mensen. Als iemand in wat dan ook een initiatief neemt, zijn mensen allereerst geïnteresseerd in de intenties van de initiatiefnemer en (misschien) daarna in haar of zijn argumenten. Dan moeten die wel helder zijn en daar gaat het vaak al mis.

Neem de beleidsbrief met de visie op biotechnologiebeleid van het kabinet Rutte II: ‘Onbetwist is dat een toekomstig biotechnologiebeleid moet meegroeien met de technologische ontwikkelingen, maatschappelijk gedragen wordt en faciliteert dat de kansen van biotechnologie worden benut, waarbij tegelijkertijd de veiligheid is gewaarborgd.’

Het kabinet spaart hiermee de kool en de geit. We willen wel de voordelen, maar niet de risico’s van biotechnologie en het is fijn als we dat met zijn allen willen. Dezelfde beleidsbrief geeft aan hoe het gewenste maatschappelijk draagvlak wordt gezocht: ‘... zullen de mogelijkheden worden verkend om maatschappelijke waarden beter te betrekken bij de afweging van nut en risico’s van specifieke biotechnologische toepassingen, zoals dat in de medische biotechnologie veel gebruikelijker is. Bij een energieke samenleving past ook een verkenning van de rol van de overheid en betrokkenheid van het bredere publiek.’

Dat is allemaal nogal voorzichtig: verkennen van mogelijkheden om maatschappelijke waarden beter te betrekken en peilen wat de betrokkenheid van het bredere publiek is. Het klinkt nog niet alsof het echt gaat gebeuren.

Pappen en nathouden

Naar goed Nederlands gebruik was er in de aanloop naar het kabinetsstandpunt een stakeholdersconsultatie. Maar liefst zeventien belangenorganisaties mochten hun vaak uiteenlopende mening geven. Voorstanders (meestal uit het bedrijfsleven) en tegenstanders (Greenpeace c.s.) van biotechnologie beargumenteerden vol overtuiging en goed onderbouwd hun eigen gelijk.

Eensgezindheid was er alleen over de wenselijkheid van steviger sturing door de overheid. Dat valt natuurlijk niet mee bij het uitblijven van consensus in de maatschappij. Het is dan ook te begrijpen dat de sturing tot op heden een hoog pappen-en-nat-houden-gehalte heeft. Hoe zou dat steviger kunnen?

Mijn allereerste advies is om te stoppen met het fabriceren van nietszeggende passages. Als je kiest voor het stimuleren van biotechnologie, zeg dan niet dat veiligheid op nummer 1 staat. Niemand gelooft dat. Wees eerlijk en zeg dat we biotechnologie gaan stimuleren en dat we hiermee meer risico’s willen gaan nemen of (morele) grenzen willen verleggen.

Stevig sturen

Maak duidelijke keuzes over participatie. Geef allereerst aan bij welke aspecten maatschappelijke partijen of de bevolking voortaan betrokken worden. Doe dit aan de hand van een concrete en heldere opdracht. Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk om de maatschappij te betrekken bij de hoogte van de risico’s die we bereid zijn te nemen of de morele grenzen die we in acht willen nemen.

De opdracht luidt dan: benoem de voorwaarden waaronder ontwikkelingen aanvaardbaar zijn, bepaal welke risico’s we wel en niet gaan nemen of leg morele grenzen vast. Wees ook duidelijk over de mate van invloed die maatschappelijke partijen krijgen en op welke trede van de participatieladder je gaat zitten. Bij voorkeur is dat zo hoog mogelijk, maar wek nooit méér verwachtingen dan je kunt waarmaken. Doe dus niet aan ‘token participation’.

Lotingmodel

Een heel belangrijk punt is het voorkomen van selectieve participatie. Participerende burgers zijn nogal eens semi-professionals, bijna altijd hoog opgeleid, met grijs haar en iets vaker man. Hiervoor zijn oplossingen bedacht. Een veelbelovende vind ik het lotingmodel. Een aselect samengestelde groep mensen krijgt een bevoegdheid of opdracht. Ze worden voorzien van informatie en ondersteund, maar zijn verder volledig onafhankelijk.

In Ierland heb je een burgertop van 99 geselecteerde mensen en als 100e deelnemer een rechter als voorzitter (zie www.citizensassembly.ie/en). De Ierse burgertop heeft een zwaarwegende adviserende bevoegdheid. Spraakmakend was hun advies over abortus, waarbij een veel hoger percentage van de burgertop voor het toestaan hiervan was dan de algemene bevolking. Toch begonnen de leden van de burgertop met vrijwel dezelfde opvattingen als de bevolking voordat ze zich in dit vraagstuk gingen verdiepen.

'Wek in participatieprocessen nooit meer verwachtingen dan je kunt waarmaken’ 

De feitelijke informatie, de ervaringsverhalen van vrouwen die waren geraakt door het Ierse abortusverbod en de wetenschap dat abortus toch gebeurt (in Engeland omdat het in Ierland niet kan), maakten dat veel leden van de burgertop meer pro-abortus werden. Als men in Ierland met deze aanpak een eensgezind advies kan geven over de voorwaarden waaronder abortus is toegestaan, moet het toch in Nederland lukken om een burgertop een zwaarwegend advies te laten geven over de voorwaarden waaronder biotechnologie zich verder kan ontwikkelen. Ook het lotingmodel heeft overigens nadelen. Dominante leden kunnen het groepsproces bijvoorbeeld sterk gaan bepalen.

Minderheidsstandpunt

Maar alles lijkt beter dan de Nederlandse variant, waarbij we goed geïnformeerde, meestal welbespraakte vertegenwoordigers van belangenorganisaties bij elkaar zetten. De ervaring leert dat deze welbespraakte en zelden aan een teveel aan bescheidenheid lijdende lieden vrijwel nooit tot consensus weten te komen. Om dat toch voor elkaar te krijgen, moet je iets bedenken dat nog vreselijker is dan consensus.

Je kunt bijvoorbeeld de belangrijkste partijen die het blijvend met elkaar oneens zijn een minderheidsstandpunt laten formuleren. Als het niet lukt om tot consensus te komen, wordt één van de twee minderheidsstandpunten het officiële standpunt en dat wordt bepaald door de voorzitter een muntje te laten opgooien. Een consensusstandpunt moet dan wel heel vreselijk zijn, wil je een risico van 50% lopen dat het standpunt van je tegenstander het voorkeursstandpunt wordt.

Conclusie

Sturen betekent keuzes maken en participatie betekent macht uit handen geven. Dat kan heel goed samen gaan als je de keuzes mede laat bepalen door burgers en belangenorganisaties. Er zijn genoeg manieren om dat te organiseren. Het enige wat je niet moet doen is wachten tot het allemaal vanzelf in orde komt. Dat gaat nooit gebeuren. 

Dit artikel verscheen eerder in vakblad Milieu
Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl