‘Decennialang zijn we gewend om zaken sectoraal op te lossen. Zelfs ruimte werd op een gegeven moment als een sector gezien', zegt Hans Leeflang.

‘Decennialang zijn we gewend om zaken sectoraal op te lossen. Zelfs ruimte werd op een gegeven moment als een sector gezien, terwijl ruimtelijke ordening ooit als facet is ontwikkeld, die sectoren overstijgt en verbindt', zegt Hans Leeflang, hoofdspreker op het Landelijk Congres Openbare Ruimte 

Meer info over het optreden van Hans Leeflang op het Landelijk Congres Openbare Ruimte vindt u op www.lcor.nl

Digitalisering, de participatiesamenleving: er is veel veranderd sinds de grote stedelijk uitleg in de wederopbouwjaren begon. Stedebouwkundige Hans Leeflang maakte de overgang van de maakbare stad naar do-it-yourself planologie van dichtbij mee, en vond het tijd voor een nieuw verhaal. Dat maakte hij niet zelf, maar met duizenden vakprofessionals tijdens het door hem geïnitieerde Jaar van de Ruimte. Tijdens het Landelijk Congres Openbare Ruimte gaat Leeflang – in mienskip (zie onder) – met u met de openbare ruimte van morgen aan de slag.

Het thema van het Jaar van de Ruimte was ‘Wie maakt Nederland’. Van heinde en verre komt men onze polders, nieuwe steden, stadsvernieuwing en waterwerken bekijken. God created the world, but the Dutch created Holland. Hans Leeflang, trekker en initiator van het Jaar van de Ruimte (2015), wist een massa aan vakprofessionals te mobiliseren om samen een antwoord te formuleren op bovenstaande vraag. Dat mondde uit in het Manifest 2040. Daarin wordt een vooruitblik gegeven op Nederland over 25 jaar. Niet met eindbeelden, wel een 7-tal opgaven en 5 principes voor 2040. Voor de exacte inhoud verwijzen we u graag naar het manifest zelf (door eenvoudig ‘Manifest 2040’ te googelen).

Anders denken, anders doen. Zo zou je de boodschap van het manifest wat oneerbiedig kunnen samenvatten. En dat is geen diskwalificatie van hoe we dingen vroeger deden. Decennialang hebben we polders, infrastructuren, steden, woonwijken en pleinen ontworpen en uitgelegd, gebaseerd op prognoses, visies en scenario’s die in vier ruimtelijke ordeningsnota’s werden vastgelegd. ‘Terugkijkend kunnen we concluderen dat de nota’s ons land hebben veranderd op een manier die aansluit bij wat we beschreven in die nota’s. Los van of het mooi of goed is geworden, is de invloed onmiskenbaar vast te stellen en zijn de nota’s in die zin geslaagd’, zegt Leeflang.

Mienskip

Het Nederlandse ruimtelijke ordening-beleid heeft een uniek en over het algemeen goed functionerend land opgeleverd. Iedereen die het daarmee oneens is, moet een keer goed over de grens kijken. Maar waar de nadruk ooit lag op stedelijke uitleg, zal de vernieuwing steeds meer vanuit het bestaande moeten komen. Van expansie naar exploitatie, van uitbreiding naar inbreiding, van nieuw naar transformatie, van kwantiteit naar kwaliteit, en dan ligt er ook nog een verduurzamingsopgave. Het antwoord op wat die kwaliteit moet zijn, zal steeds vaker in nauwe samenwerking met de gebruikers van de ruimte, bewoners en ondernemers die in het ruimtelijke domein leven tot stand moeten komen, of in beter Fries: in mienskip (gemeenschap). Leeflang: ‘Betrek burgers en bedrijven, breng ze met elkaar in contact, steun en inspireer ze. Mensen verbinden, daar ligt een geweldige uitdaging.’

Van sector naar verbinding

Mienskip is niet toevallig het thema waarmee de gemeente Leeuwarden en de provincie Friesland de euregio rondom Maastricht en Eindhoven aftroefden bij het binnenhalen van de culturele hoofdstad. Mienskip betekent ‘gemeenschap’. Het refereert aan de coöperatieve gedachte die deels zijn wortels heeft in Friesland. En het beantwoordt aan de nieuwe tijdgeest die door ruimtelijke ordening-land waart, evenals in de nieuwe Omgevingswet waarin tal van sectorale wetten opgaan en dat ook juridisch wordt bestempeld. Leeflang licht toe: ‘Decennialang zijn we gewend om zaken sectoraal op te lossen. Zelfs ruimte werd op een gegeven moment als een sector gezien, terwijl ruimtelijke ordening ooit als facet is ontwikkeld, die sectoren overstijgt en verbindt. Vroeger werd facetbeleid vastgelegd in structuurschetsen, terwijl voor sectorenprogramma’s zoals verkeer en vervoer structuurschema’s werden vastgesteld. Dat pleit heb ik misschien wel verloren, maar ik ben positief gestemd over de komst van de Omgevingswet waarin ruimtelijke professionals kunnen laten zien hoe goed zij zijn in het verbinden van al de deelbelangen die in de ruimte spelen.’

Leeflang vervolgt: ‘De omgevingsvisie, waar een tiental gemeenten nu al de hand aan legt, is geen sectoraal document, maar een coproductie van tal van sectoren zoals water, gezondheid, beheer, openbare orde, sociale zaken. De ruimtemaker legt verbindingen tussen sectoren en met de gebruikers van de ruimte. Dat vergt een omschakeling voor veel ruimtelijke professionals die gewend zijn om te tekenen en te rekenen, maar niet zo goed zijn in luisteren, vragen en doorvragen. Door in gebiedscoalities te werken, kan de verkokering die in de loop der decennia is opgereden, te lijf worden gegaan.’

Verantwoordelijkheid

De Vierde Nota Ruimtelijk Ordening wordt nu vaak getypeerd als het laatste blauwdruk-plan in de nationale ruimtelijke ordening. Leeflang: ‘Dat doet geen recht aan die nota. Sterk was dat het een inspirerend ontwikkelingsperspectief voor Nederland schetste en ruimte maakte voor projecten van andere overheden en marktpartijen die in die koers pasten. Dat was in die tijd erg modern. Geen blauwdruk, maar masterplanning. De afgelopen jaren is “visie” en vies woord geworden en was het adagium in Den Haag “je gaat er over of niet”. Maar ik vind dat je als overheid ook in het huidige tijdsgewricht een samenhangende visie moet hebben. Er is behoefte aan ambitie, stippen aan de horizon. En daar hoort in mijn optiek bij dat de overheid regie voert, sturing geeft, investeert en faciliteert. Maar faciliteren mag nooit leiden tot vrijblijvendheid. Decentralisatie van verantwoordelijkheden is op zich prima, maar dat gaat niet goed als de rijksoverheid niet haar eigen verantwoordelijkheid pakt.’

Regie voeren

Leeflang refereert aan de onrust die eerder dit jaar uitbrak naar aanleiding van de discussie over bouwen aan de kust. ‘Die discussie gaat over schaalniveaus en de verstrekkendheid van een opgave. Als je de kust erkent als nationale opgave, dan zal je daar nationale regie over moeten voeren. Net zoals er een nationaal coördinator voor het aardbevingsgebied is aangesteld en we een Deltacommissaris voor water hebben, zijn ook het Nederlandse landschap en bijvoorbeeld de energietransitie in mijn optiek nationale opgaven waar op nationaal niveau regie over moet worden gevoerd. Het rijk moet haar verantwoordelijkheid nemen voor zaken waar “de markt”, maar ook andere overheden domweg niet verantwoordelijk voor kunnen zijn.’

Proeftuin Nederland

Om het ‘nieuwe Nederland’ dat we samen moeten maken een gezicht te geven, worden in Manifest 2040 tien voorbeelden van nieuwe gebiedspraktijken getoond, naast kennispraktijken en beroepspraktijken. Leeflang: ‘Op die plekken wordt onder leiding van inspirerende landmakers aan het Nederland van 2040 gewerkt’. De erfenis van het Jaar van de Ruimte wordt verder veilig gesteld en uitgebouwd tijdens estafettes die onder de noemer Proeftuin Nederland in het land worden voortgezet. Tijdens ‘Leeuwarden Kulturele Haastêd 2018’ strijkt de karavaan van het Jaar van de Ruimte neer in de Friese hoofdstad voor de manifestatie ‘Proeftuin voor het Nederland van morgen’ waar aan de hand van toonaangevende projecten het Madurodam van de toekomst wordt gepresenteerd.

Hans Leeflang: ‘Ook Leeuwarden en Friesland hebben hun proeftuinen van de toekomst. Met het gekozen thema mienskip voor de culturele hoofdstad zijn stad en de provincie feitelijk een proeftuin op zich. Ik ben geïnteresseerd in de vraag hoe openbare ruimte niet alleen een product van denken en ontwerpen is, maar al in de making of de mienskip-gedachte hier integraal onderdeel van uitmaakt. De tijd dat deskundigen en de overheid uitmaakten wat goed voor ons is, ligt nu wel achter ons. Het initiatief kan niet enkel meer van de overheid komen. Haar belangrijkste verantwoordelijkheid is misschien wel het stimuleren van maatschappelijke energie. Dat vereist ook een hele nieuwe rol van de ruimtelijke ordening-professional.’

Hans Leeflang, hoofdspreker op het Landelijk Congres Openbare Ruimte
In zijn laatste jaar als directeur bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu houdt Hans Leeflang zich bezig met de vraag in welke openbare ruimtes het nieuwe Nederland zichtbaar wordt. Op het Landelijk Congres Openbare Ruimte op 6 oktober 2016 in Leeuwarden presenteert hij zijn visie daarop. Daarnaast vraagt hij deelnemers mee te denken over de vraag welke openbare ruimtes daadwerkelijk in mienskip tot stand zijn gekomen en wat we daarvan kunnen leren. Hans Leeflang was tot voor kort directeur Kennis, Innovatie en Strategie bij het ministerie van IenM. Eind jaren tachtig was hij bij de Rijksplanologische Dienst (VROM) onder meer verantwoordelijk voor de Vierde Nota RO en de VINEX.
Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl