Een goed ontworpen plein draagt bij aan verbinding. Het is een plek waar stedelingen elkaar kunnen ontmoeten en zien, wat de sociale cohesie in een buurt vergroot. Vanzelfsprekend is die verbindende functie van het plein echter niet. U kunt zich vast pleinen voor de geest halen die u liever mijdt, waarbij u hoogstens de randen van de stenen leegte opzoekt. Samen met architect en stedenbouwkundige Sjoerd Soeters van bureau PPHP formuleren we ontwerpprincipes voor het sociale plein, opdat dergelijke asociale pleinen tot het verleden behoren.

Dit artikel verscheen eerder in magazine Mooie Pleinen. Meer artikelen lezen of een gratis exemplaar aanvragen? Klik dan hier.

'De openbare ruimte is als een toneel.’ Sjoerd Soeters, die onder meer bekend werd met werk in de Amsterdamse Houthaven en het Java Eiland en de wijk Sluseholmen in Kopenhagen, deelt zijn visie op de openbare ruimte en het plein. ‘De bewoner is tegelijkertijd acteur en toeschouwer. Dat is de essentie van pleinen.’ Met dit zien en gezien worden draagt het plein bij aan sociale cohesie onder bewoners, het onderlinge vertrouwen en het gevoel van veiligheid. Aan de stedenbouwkundige en overkoepelende gemeente dus de taak om hier op te sturen. Aan de hand van praktijkvoorbeelden van Soeters en collega’s, presenteren we drie ontwerpprincipes voor het plein als toneel.

1. Hou het compact

Om te zorgen dat bewoners elkaar kunnen aanschouwen, dient een plein niet te groot te zijn. Soeters: ‘Maximaal 25 bij 40 meter. Als je groter bouwt, kunnen mensen elkaar niet meer herkennen. Mensen lopen dan langs elkaar heen en de ontmoetingsfunctie ontbreekt.’ Het is een ontwerpfilosofie die Soeters en collega’s onder meer toepasten bij het project MAAK.Zaanstad Centrum. Hier lag de opgave om de kwaliteiten van het gebied te versterken en het oude stadshart van Zaandam beter aan te laten sluiten op het centrum, wat werd gerealiseerd met flinke verdichting en de aanleg van meerdere compacte pleinen. Soeters: ‘Het gevolg is een concentratie van mensen en dus meer ontmoetingen.’

Compactheid en menselijke zichtlijnen zijn overigens niet enkel bij Soeters pleinen een leidend motief, maar ook bij de rest van de openbare ruimte waar hij zijn hand aan legt. De stedenbouwkundige illustreert dit aan de hand van werk in de Oostpoort te Amsterdam. ‘Daar loopt de Lineusstraat. Dat is een belangrijke winkelstraat, maar hij was te breed. Mensen liepen langs elkaar heen en communiceerden niet.’ De oplossing werd gevonden in een aan fijnmazige Middeleeuwse straten doen denkende lus met daaraan winkels en een plein. ‘Door die kromming zien bezoekers niet de hele straat in één oogopslag, wat uitnodigt tot verder wandelen. Zo ontdekken ze via serial vision de straat en het plein. Het roept de magie van oude stadscentra op en nu vindt er sociale interactie plaats.’

(Tekst gaat onder afbeelding door)

Plein aan de Lineusstraat. Bron: PPHP

2. Water is je vriend

Een centraal thema in het werk van Soeters en zijn collega’s is het gebruik van waterwegen. Enerzijds dragen deze bij aan het compact houden van de openbare ruimte en pleinen, anderzijds creëren ze juist zichtlijnen. ‘In Zaanstad hebben we de ruimte als het ware opgeknipt met kanalen, waarmee we mensenstromen samenbrengen,’ zegt Soeters. Een harde scheidslijn hoeven deze wateren echter niet te zijn. ‘In Zaanstad waren de lokale ondernemers bang dat het water hen zou afsluiten van bezoekers,’ zegt Soeters. ‘Dat hebben we opgelost door tien bruggen aan te leggen. Deze bruggen hebben verschillende hoogtes, wat extra zichtverbindingen creëert.’ Naar eigen zeggen werd Soeters hiertoe geïnspireerd door het werk van de 18e-eeuwse Italiaanse kunstenaar Piranesi, die in een soort Escheresque etsen met hoogteverschillen speelt. ‘Het centrum is daar op gebaseerd. Het draagt echt bij aan die toneelervaring.’

(Tekst gaat door onder afbeelding)

Waterwegen houden de ruimte compact, bruggen creëren zichtlijnen. Bron: PPHP

3. Besteed ook aandacht aan de gebouwen rond het plein

Naar eigen zeggen is Soeters primair stedenbouwkundige en daarna pas architect. ‘Sociale verbinding begint bij de openbare ruimte, bij het plein. Dat moet leidend zijn. Pas daarna begin je met het ontwerp van de gebouwen, die complementair aan het plein moeten zijn.’ Dat complementaire effect bereikt Soeters met laag bouwen. ‘Eigenlijk moet je niet hoger  bouwen dan vier lagen. De vuistregel is dat het gebouw als het ware in het plein moet kunnen vallen,’ zegt hij.

Deze regel tegen hoogbouw aan het plein heeft twee functies. Allereerst voorkomt het een beklemmend gevoel, dat het betreden van het plein onaantrekkelijk maakt. Soeters citeert de 19e-eeuwse Oostenrijkse architect, kunstenaar en stedenbouwkundige Camillo Sitte: ‘Een plein is net een huiskamer. Met alleen openingen is het geen intieme ruimte, maar het moet ook niet volledig afgesloten zijn.’

Ten tweede zorgt een relatief lage bouwhoogte voor verbinding tussen pleinbezoekers en omwonenden. ‘Mensen op de onderste lagen kijken naar beneden en richten zich op de openbare ruimte. Mensen die hoger dan vier lagen wonen, kijken naar de hemel,’ zegt Soeters. Het is een boodschap die weerklank vindt in de ‘ogen op straat’ van Jane Jacobs, waarmee de stadsgeografe pleitte voor directe zichtlijnen tussen gebouwen en de aangrenzende publieke omgeving om zo veiligheid te vergroten. Bij het project Holland Park te Diemen, waar de opgave was om een ‘stedelijk dorp’ te creëren, versterkte Soeters dit effect door de gebouwen niet in een vierkant om het plein te zetten, maar in een ovaalvorm. ‘Alle ramen en deuren in de gevels kijken dus uit over het plein. Zo wordt de openbare ruimte een soort ovale tafel, waarover iedereen elkaar kan zien.’

Ook interessant: De (on)zin van stadsstraten
Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl