Energietransitie, woningmarkt, stikstofcrisis en verdienvermogen

Voor veel dossiers eindigde het turbulente 2019 met een belofte van beterschap vanuit de politiek. De vraag is nu welke antwoorden we kunnen formuleren op de meest prangende vragen van de afgelopen jaren: hoe verder met de energietransitie, woningbouwopgave, het verdienvermogen, en het probleem waarin dit alles lijkt samen te komen; de stikstofcrisis? Stadszaken zet de belangrijkste agendapunten op een rij.

Stikstof: de crisis voorbij?

Ook in 2020 is stikstof een terugkerend onderwerp van gesprek. Het maatregelenpakket om de crisis het hoofd te bieden is nog incompleet. Bovendien zal in de loop van 2020 – en in de jaren daarna – blijken hoe effectief dat is voor het terugdringen van depositie, het vlottrekken van de bouw en het versterken van de natuur.

In het eerste pakket maatregelen dat het kabinet in november presenteerde, volgde het deels het advies van Commissie Remkes op, met een aangepaste snelheidslimiet op snelwegen, een ammoniakreductie door aangepast veevoer en een hoger subsidieplafond van de saneringsregeling voor varkensbedrijven. Ook sprak de minister de ambitie uit om een drempelwaarde voor stikstofdepositie te ontwikkelen. Vlak voor het kerstreces stemde de Eerste Kamer in met de Spoedwet stikstof.

De “stikstofruimte” die met de maatregelen vrijkomt, moet voor ten minste 30 procent ten goede komen aan de natuur, 70 procent wordt gebiedsgericht gebruikt om ontwikkelingen weer mogelijk te maken. Vanwege de hoge urgentie kunnen nieuwe projecten en activiteiten in de woningbouwsector en een aantal infrastructurele projecten als eerste aanspraak maken op de vrijgekomen ruimte.  

Er is een forse achterstand in te lopen op het gebied van natuurherstel en verbetering, zo concludeerde de Commissie Remkes eerder. Het kabinet trekt daarom 250 miljoen euro uit voor de natuur, als onderdeel van de 500 miljoen euro die voor stikstofmaatregelen werd gereserveerd bij de Najaarsnota. Tegelijkertijd wil de minister meer flexibiliteit in de uitvoering van het natuurbeleid. Dit jaar wordt een programma Natuur opgesteld waar in staat hoe de natuur versterkt kan worden. In januari wordt bekend met welke maatregelen het kabinet de stikstofdepositie verder terug wil brengen.

De drempelwaarde, afgelopen maanden een terugkomend onderwerp van discussie, komt er, zij het in een ander vorm. Het kabinet heeft besloten tot het instellen van regionale drempelwaarden, die de provincies uitwerken. De geplande snelheidsverlaging gaat in na het plaatsen van aangepaste borden door Rijkswaterstaat tussen 12 en 16 maart.

In aanvulling op de eerste bekendmaking maakte het kabinet in december met agrariërs afspraken: er vindt geen generieke veestapelkrimp en gedwongen sanering plaats. Activiteiten die eerder een vrijstelling voor Natura 2000-vergunningsplicht kregen kunnen doorgaan, mits ze de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar niet overschrijden.

De stikstofcrisis deed de afgelopen maanden het nodige stof opwaaien, met protesten van boeren en de bouw, maar er kwamen ook kritische klanken uit de hoek van bijvoorbeeld de Raad van State en het PBL. Of de maatregelen de rust doen wederkeren, moet nog maar blijken. Ook de aangekondigde plannen konden al rekenen op kritiek, onder meer van VNO-NCW, die stelt dat regionale drempelwaarden te veel overleg vergen. Die weerstand is natuurlijk niet vreemd. Hoewel de focus van de discussie mede door de protesten in 2019 op de boeren lag, hebben vele sectoren baat bij een goede en voor hen passende oplossing. Bovendien vormen ook in deze discussie groei en ontwikkeling, beperkte ruimte, diverse belangen en de frictie tussen al deze elementen een rode draad.

Woningbouw: de broodnodige versnelling

Met de stikstofmaatregelen moet het doel van vergunningverlening van 75.000 woningen in 2020 in elk geval gehaald worden, zei minister Van Veldhoven in november. Dat is te hopen. Komend jaar blijft namelijk ook de woningbouw, of beter gezegd, de veel te trage productie van woningen voor de komende jaren een uitdagend dossier voor alle overheden. De urgentie is hoog blijkt uit alle onderzoeken en rapportages, en het kabinet Rutte III heeft al aangegeven dit hoog op het beleidslijstje te hebben staan. De schattingen lopen uiteen van 800.000 tot een miljoen woningen voor heel Nederland tot 2030-40. De woningmarkt zit vooral in de grote steden van de Randstad compleet vast. Starters, lage- en middeninkomensgroepen kunnen nauwelijks aan een gewenste en betaalbare woning komen. De verrassend hoge positieve migratiesaldi van de laatste jaren, onlangs weer bevestigd in de nieuwe cijfers van het CBS, maken de situatie alleen maar nijpender.

Op tal van manieren proberen betrokken partijen de zaak los te trekken en de woningbouw te versnellen. Het kabinet kondigde op Prinsjesdag aan om woningcorporaties meer ruimte te geven – zowel financieel als in de regelgeving – om meer betaalbare woningen te bouwen, ook voor lage middeninkomens. Daarvoor is 1 miljard euro via de verhuurdersheffing beschikbaar.

Daarnaast komt er een woningbouwimpuls van 1 miljard euro om het woningtekort in te lopen en de bouwproductie hoog te houden. De woningbouwimpuls moet bijdragen aan betaalbare woningbouw en het oplossen van knelpunten. Daarbij moeten we denken aan uitplaatsing van bedrijven, het direct bereikbaar maken van een nieuwe wijk of het opvangen van de gevolgen van de stikstofuitspraak.

Het beleid voor de versnelling van de woningbouw spitst zich met name toe op de vijf grote stedelijke regio’s: Metropoolregio Amsterdam, Zuidelijke Randstad, Utrecht, Eindhoven en Groningen. Daar heeft de minister van BZK afgelopen jaar woondeals gesloten. Alleen al in de regio Amsterdam en de Zuidelijke Randstad gaat het om 100.000 woningen tot 2025.

Grote vraag nummer 1 voor dit jaar is op welke locaties die versnelde bouw gaat plaatsvinden. De steden, gesteund door de provincies en het Rijk, geven de voorkeur aan de binnenstedelijke locaties. Maar gebiedsontwikkeling daar is complex en duur. Bovendien kunnen daar volgens ontwikkelaars en beleggers door de fors gestegen grondprijzen niet de hoeveelheden betaalbare sociale- en middenhuurwoningen worden gerealiseerd, die de overheden daar graag willen hebben. Dus staat de betaalbaarheid onder druk en dreigt de tweedeling in de stad juist groter te worden.

Dan toch maar naar het buitengebied, hoor je op steeds meer plekken. En niet uitsluitend meer bij de grote ontwikkelaars, die daar meestal reeds grondposities hebben verworven. Die sluiten echter niet altijd aan bij de door de overheden gewenste nieuwe locaties, dichtbij ov-knooppunten en tegen de stad aan. Bovendien ligt gebiedsontwikkeling op die ov-knopen ook heel complex, en lijkt dus voor de komende tien jaar vrijwel onmogelijk.

Kortom, een enorme uitdaging. Grote vraag nummer 2 is of grootschalige woningbouw van de grond komt zonder sterkere sturing door de rijksoverheid, of dat de politiek niet toch gaat afdwingen dat er weer een helder en krachtig ruimtelijk ordeningsbeleid komt met de aanwijzing van NOVI-wijken. 

Energietransitie: stip op de horizon wordt haastklus

Ook de energieopgave voor 2020 is enorm. Vlak voor de kerst bevestigde de Hoge Raad nogmaals wat de rechtbank in 2015 en 2018 ook al oordeelde: de uitstoot van CO2 en andere broeikasgasgassen moet aan het einde van dit jaar met 25 procent gereduceerd zijn ten opzichte van ijkjaar 1990. Volgens de rechter heeft de overheid een grondwettelijke plicht om in te spelen op risico’s als klimaatverandering. Het argument van de landsadvocaat dat de politiek gaat over het klimaatbeleid en niet de rechter, gaat hier dus niet op.

Daarmee wordt het kabinet gehouden aan haar eigen beleidsdoelen, maar zijn die ook haalbaar? Uit een raming van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) bleek in november dat slechts beperkt extra maatregelen nodig waren om aan die kwart reductie te komen. Op basis van bestaand beleid zou de uitstoot in 2020 al 23 procent lager uitvallen. De publicatie kwam het planbureau echter op veel kritiek te staan. De raming zou een veel te rooskleurig beeld schetsen van ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt en de productie van duurzame stroom uit zon en wind. Twee dagen voor de Urgenda-uitspraak van december kwam het PBL zelf met een bijgestelde raming. Nu verwacht het PBL dat eind dit jaar een reductie van ‘slechts’ 20 tot 21 procent gehaald wordt. Er is daardoor een verdere CO2-reductie nodig van 5 megaton.

Een ding staat daardoor als een paal boven water: de tijd van lapwerk en papieren maatregelen is definitief voorbij. Minister Wiebes kondigde in november al een aantal aanvullende maatregelen aan. De daken van scholen en overheidspanden moeten beter worden benut voor de opwek van zonnestroom, en er kwam extra geld om de aanschaf van warmtepompen te stimuleren. In het voorjaar van 2020 werd al besloten dat de kolencentrale van Vattenfall aan de Hemweg in Amsterdam vervroegd zijn deuren zouden sluiten. De vraag is nu hoe de overheid de door de Hoge Raad opgelegde extra reductie gaat realiseren. Haast lijkt geboden en waarschijnlijk komt het kabinet al begin dit jaar met plannen om het klimaatbeleid verder te intensiveren.

Groeistrategie voor Nederland: op zoek naar het nieuwe welvaartsrecept

Boeren, leraren, zorgpersoneel, politie en bouwers. Al deze groepen vroegen in het afgelopen jaar nadrukkelijk de aandacht voor hun werkomstandigheden en inkomen. Zelfs de werkgevers trokken naar het Malieveld om daar aandacht te vragen voor het verdienvermogen van de Nederlandse economie.

Tijdens Prinsjesdag 2019 kondigde minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat aan dat de regering tientallen miljarden euro’s ter beschikking stelt in een investeringsfonds. Het fonds moet over een looptijd van twintig jaar het verdienvermogen van de economie en de koopkracht in ons land versterken. ‘Daarbij gaat het ook om de manier waaróp die welvaart wordt vergaard, een betere samenloop van welvaart met natuur en klimaat’, schreef Wiebes half december aan de Kamer.

Uit gesprekken die de bewindsman voerde met zijn collega’s uit het kabinet, economen en andere experts die autoriteit zijn op de determinanten van welvaartsgroei kwam een duidelijke trendbreuk voor 2020 naar voren. ‘Een consequent terugkerende overtuiging is dat kleine, incrementele stappen niet meer voldoende zijn om te komen tot een substantiële verhoging van de groei’, schrijft Wiebes. ‘De welvaartsrecepten uit het verleden zijn bovendien lang niet allemaal houdbaar. Een echte groeisprong is uitsluitend te maken door opnieuw en integraal naar domeinen te kijken die voor groei bepalend zijn.’

Hoe de miljarden uit het investeringsfonds die groeisprongen precies mogelijk moeten gaan maken, blijft nog vaag. 2020 staat in het teken van verdere uitwerking en gesprekken met experts, stakeholders en maatschappelijke partijen. Wel weet het kabinet al wat de zes meest fundamentele gebieden zijn voor de groeistrategie voor de Nederlandse economie. In zijn Kamerbrief benoemt Wiebes de volgende elementen:

  1. Talent ontwikkelen door onderwijsverbetering;
  2. Talent doorontwikkelen door het versterken van de leercultuur;
  3. Arbeidsparticipatie verbeteren;
  4. Versterken van onderzoeks- en innovatie-ecosystemen;
  5. Verbeteren van de bereikbaarheid;
  6. Het benutten van transities.

Een fors deel de economie beslaat drie met elkaar samenhangende transities: de overstap van fossiele naar hernieuwbare energie, het verduurzamen van de industrie en de landbouw. Juist in deze domeinen liggen op dit moment ook de grootste problemen: stikstofproblematiek, CO2-uitstoot en ruimtebeslag. Het ligt daarom voor de hand dat een belangrijk deel van de miljarden aan extra publieke investeringen hier neer zal slaan. Het kabinet verwacht eind maart een plan voor de verdere uitwerking van het fonds te kunnen presenteren.

Stadszaken
Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl