De commissie Verdienvermogen en Vestigingsklimaat heeft op 6 december 2016 een advies uitgebracht over de toekomst van de Nederlandse economie. In dit artikel bespreekt Friso de Zeeuw de analyse en aanbevelingen van de commissie. Hij voegt daar vijf consequenties voor gebiedsontwikkeling aan toe.

Technologische ontwikkelingen veranderen fundamenteel de koers van bedrijven, de kracht van de economie en de arbeidsmarkt. Door informatisering - ook van productie en logistiek - ontstaan niet alleen minder banen, maar veranderen de banen ook van type en niveau: hogere kwaliteitsniveaus en meer flexibiliteit.

In het perspectief van de dagelijkse internationale concurrentiestrijd van bedrijven is de toekomstige groei van de Nederlandse economie géén natuurlijk gegeven; daar moet hard voor worden gewerkt. Wat de gevolgen van deze dynamische ontwikkeling zijn en hoe moeten we daarop inspelen? 

Clusters en regionale economische ecosystemen

De concurrentieslag om orders, omzetgroei en werkgelegenheid vindt steeds minder plaats tussen landen, maar steeds meer tussen dynamische clusters, met stedelijke regio’s vaak in het middelpunt. stedelijke regio’s.

Clusters zijn immers geconcentreerd in stedelijke regio’s, waardoor de concurrentie zich afspeelt op dat geografische schaalniveau: steden en regio’s als magneten en concentraties van talent, innovatie en ‘quality of life’. Daar waar tot nu toe veel gesproken wordt over de concurrentiekracht van Nederland en andere landen, vindt de komende jaren de concurrentieslag vooral plaats tussen regionale clusters wereldwijd.

In het nationale topsectorenbeleid ontbreekt de regionale/ruimtelijke dimensie nagenoeg volledig en ook in het bredere rijksbeleid ontbreekt een nationale ruimtelijk-economische visie op regionale concurrentiekracht. Daarnaast is het ruimtelijk ordeningsbeleid meer gericht op regulering en aanbodsturing dan op economische kansen stimuleren en ruimtelijke faciliteren.

Technologische vernieuwingen hebben onvoorziene en onduidelijke economische en ruimtelijke gevolgen. Dat laat onverlet dat een aantal basis- en ruimtelijke voorwaarden in stedelijke regio’s van groot belang blijft:

  • goede multimodale bereikbaarheid, zowel voor goederen (weg, water, spoor) als voor personen; 
  • een lerende en flexibele beroepsbevolking;
  • dynamische en anticiperende (regionale) economische ‘ecosystemen’.

Het zijn deze voorwaarden die cruciaal zijn, omdat ze een steeds belangrijkere rol spelen bij de aantrekkingskracht en – uiteindelijk - concurrentiekracht van de clusters. De aanwezigheid van talent, de snelheid van verbindingen, oog voor duurzaamheid en de aanwezigheid van dynamische netwerken (tussen bedrijven onderling, met kennisinstellingen, met onderzoekers) zijn belangrijke succesfactoren die op regionaal niveau het verschil kunnen maken.

Voorgestelde acties

Op basis van deze analyse stelt de expertcommissies een aantal acties voor. 
Regio’s maken in samenwerking met bedrijven en kennisinstellingen Regionale Economische Versnellingsagenda’s. De samenwerking tussen stedelijke regio’s, provincies, triple helix-organisaties en bedrijfsleven moet verder worden versterkt. Dit behelst ook een aanvulling op het topsectorenbeleid door substantiële aandacht voor regionale ecosystemen.

Om regionale ecosystemen te versterken is een jaarlijkseinvesteringsimpuls impuls nodig van 400 mln. euro, als volgt op te delen:

  • provincies/gemeenten: 100 mln. Euro
  • bedrijfsleven/kennisinstellingen: 200 mln. euro 
  • rijksoverheid: 100 mln. euro

In de MIRT-aanpak wordt nadrukkelijk gefocust op aan individuele clusters gerelateerde fysieke vestigingscondities, uiteenlopend van multimodale infrastructuur tot specifieke interactiemilieus als campussen. De keuze voor het regionaal-economisch verdienvermogen bij het economisch-ruimtelijk beleid betekent dat de fysieke omgeving de economische groeikracht (in al zijn diversiteit) moet faciliteren en geleiden.

De focus in de bedrijventerreinplanning verandert qua accent van aanbodgericht naar kansgericht. De praktijk van nu is dat regio’s afspraken maken met de provincies over de kwantitatieve kaders voor bedrijventerreinen. De praktijk van de toekomst moet veel meer zijn dat regio’s, in gesprek met de provincie, rijksoverheid en triple-helix partners een aanpak ontwikkelen voor het stimuleren van de topsectoren en vergroting van het nationale verdienvermogen.

De verandering van focus impliceert andere manier van sturen. Bij sturen op het resultaat kan randvoorwaarden formuleren die bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op de milieudruk, de mobiliteitseffecten of de landschappelijke inpassing.

De Ladder voor Duurzame Verstedelijking gaat uit van een ‘nee, tenzij’-principe. De voorgestelde aanpassing van de Ladder beoogt vereenvoudiging. Veel zal afhangen van de nieuwe handreiking voor toepassing van de ladder.

Het is gewenst dat plannen die bijdragen aan versterking van regionale clusters van (inter)nationale betekenis te benaderen met een ‘ja, mits’-principe. Het ‘mits’ betreft maatregelen die een goede (ruimtelijke) inpassing mogelijk maken, evenals eventueel gewenste mitigerende en compenserende maatregelen. Het is van belang om in dergelijke procedures snel en adequaat te handelen, met name van publieke zijde.

Vergaande gevolgen voor gebiedsontwikkeling

Ik sluit af met vijf majeure gevolgen van het verhaal van de expertcommissie voor de ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling.

  1. Met gebiedsontwikkeling moeten we de hoog-dynamische economie en de daarmee verband houdende bedrijfsvestigingen niet alleen te accommoderen, maar tegelijkertijd meerwaarde leveren. Door de relatiepatronen met andere bedrijven en met - bij voorbeeld - stedelijke voorzieningen en mobiliteit in de ruimtelijke planning en op gebiedsniveau fysiek te realiseren. 
  2. Bedrijfsvestigingen die een essentiële rol spelen in de regionale economische clusters van nationale betekenis, maar moeilijk plaatsbaar zijn, moeten met inventieve mitigerende en compenserende maatregelen toch een locatie krijgen.
  3. We moeten meer uitgaan van een planning van kansen en een vraaggerichte opstelling in plaats van een aanbodgerichte sturing (van bedrijventerreinen). Lastig, want daar is het ruimtelijke planningssysteem niet echt op ingericht. En de Ladder voor duurzame verstedelijking al helemaal niet. Toch kunnen we met creativiteit en zo nu en buiten de lijntjes kleuren een eind komen. Zorgvuldig ruimtegebruik en het creëren van ruimtelijke kwaliteit blijven onverminderd belangrijke richtsnoeren. 
  4. Inspelen op de ruimtelijk economische dynamiek vraagt om een hoog tempo in de besluitvorming en korte doorlooptijden. Ook dat staat op gespannen voet met de ruimtelijke besluitvormingsprocessen en met gebiedsontwikkeling. Met het leerstuk van ‘ontslakt’ besturen, kunnen echter toch meters worden gemaakt.
  5. Dit alles betekent niet dat we herstructurering van bestaande bedrijventerreinen van de agenda moeten afvoeren. Integendeel: die aanpak moet onverminderd worden doorgezet. Maar we moeten beseffen dat sommige essentiële bedrijven specifieke vestigingscondities vragen waar bestaande bedrijventerreinen niet aan kunnen voldoen.      
De commissie staat onder leiding van Peter Noordanus (burgemeester Tilburg) en bestaat verder uit Friso de Zeeuw (hoogleraar gebiedsontwikkeling TU Delft), Henry Meijdam (directeur Interprovinciaal Overleg), Co Verdaas (adviseur OverMorgen) en Ruud Bergh (adviseur gebiedsontwikkeling). De commissie is in het leven geroepen door Stichting Kennisalliantie Bedrijventerreinen Nederland (SKBN).
Wilt u als regio, provincie of gemeente ook aansluiten bij het rapport en het manifest 'Het nationale verdienvermogen en de cruciale rol van regio’s'? Stuur een bericht naar voorzitter SKBN Theo Föllings: theo.follings@oostnv.nl en maak uw interesse kenbaar.   
Stadszaken

 

Stadszaken
Paulus Borstraat 41 3812 TA Amersfoort
redactie@stadszaken.nl