Creatieve ondernemers dragen nauwelijks bij aan de economische ontwikkeling van achterstandswijken. De initiatieven om de creatieve industrie in achterstandswijken te stimuleren blijken bijna geen effect te hebben op zowel economisch gebied als op de levendigheid van de wijk.

Initiatieven om de creatieve industrie in achterstandswijken te stimuleren blijken bijna geen effect te hebben op zowel economisch gebied als op de levendigheid van de wijk.

Dit concludeert Jeannette Nijkamp, sociologe en hoofddocent bij Kenniscentrum Zorginnovatie van Hogeschool Rotterdam, in haar proefschrift over de Rotterdamse Afrikaanderwijk.

Rotterdamse achterstandswijken

Rotterdam heeft een aanzienlijk aantal achterstandswijken. Door de jaren heen zijn allerlei initiatieven genomen om te proberen de achterstanden in deze wijken te verminderen. Een deel van deze initiatieven is gericht op het stimuleren van creatief ondernemerschap, zoals modeontwerpers, grafisch ontwerpers, web en app developers en concept ontwikkelaars. Naast het leveren van een bijdrage aan de economische ontwikkeling van de wijk, worden creatieve ondernemers ook verondersteld een specifieke atmosfeer te genereren Deze atmosfeer zou de vestiging van nieuwe en trendy cafés, restaurants en winkels moeten bevorderen. Maar is dat ook zo? 

Het onderzoek

Om die vraag te beantwoorden voerde Nijkamp een case study uit naar twee initiatieven, gericht op het stimuleren van creatief ondernemerschap in de Rotterdamse Afrikaanderwijk: de Creative Factory en Freehouse. De Creative Factory is gericht op het stimuleren van economische activiteit in het gebied door creatieve ondernemers naar de buurt te trekken. De projecten van Freehouse beogen vooral de economische positie van de huidige bewoners van de Afrikaanderwijk te verbeteren.

Geringe bijdrage

Uit het onderzoek van Nijkamp blijkt dat beide onderzochte initiatieven geen levendigheid hebben gegenereerd in hun omgeving. Ook hebben ze niet substantieel bijgedragen aan de economische ontwikkeling van de wijk. Voor de projecten van Freehouse is dit opmerkelijk, want deze zijn juist gericht op het realiseren van economische effecten voor wijkbewoners. Voor een initiatief dat zo op wijkbewoners is gericht, blijkt het net zo moeilijk om via creatief ondernemerschap bij te dragen aan de economische ontwikkeling van de wijk, als voor een initiatief dat gericht is op het aantrekken van creatieve bedrijvigheid (Creative Factory).

Stakeholders

Verder concludeert Nijkamp dat de motivaties van de verschillende stakeholders om deel te nemen aan de twee initiatieven sterk aan plaats en tijd gebonden waren. Ze veranderden onder invloed van politieke en economische ontwikkelingen. Bij de start van beide initiatieven deden allerlei partijen enthousiast mee om creatief ondernemerschap te stimuleren. Hoewel zij uiteenlopende motivaties hadden voor hun betrokkenheid, was er voldoende overlap van belangen van de deelnemende partijen om de initiatieven te ondersteunen en te realiseren.

De betrokkenheid bij de projecten nam af als gevolg van recente economische en politieke ontwikkelingen. Denk aan bezuinigingen en andere prioriteiten bij de lokale overheid, woningcorporaties die gedwongen werden zich weer meer op hun kerntaken te richten, toenemende terughoudendheid van banken bij het doen van maatschappelijke investeringen en een koerswijziging van Hogeschool Rotterdam, waardoor deze zich meer ging richten op kwaliteitsverbetering van het onderwijs dan op verbinding met de stad Rotterdam.