Foto: Maaike Engels

Adriaan Geuze over de NOVI

De ruimtelijke ordening is te ingewikkeld geworden, zeker, vindt ook landschapsarchitect en buitengewoon hoogleraar Adriaan Geuze. ‘Maar als je de planning van de fysieke leefomgeving wilt herijken, begin dan niet bij dat enorme spoorwegongeluk dat tot zoveel wetten en regels, ondoorzichtige procedures heeft geleid.'

'Laat je liever inspireren door de kennis en historie van de planningstraditie die we al veel langer hebben. Hier tussen Alkmaar, Zwolle, de Zuid-Hollandse eilanden en Eindhoven wonen 13 miljoen mensen. Vergelijkbaar met Parijs of Londen en onze metropool functioneert ook zo, behalve dat er rivieren tussen de steden liggen en er koeien lopen. Nergens ter wereld vind je zo’n krankzinnig divers en gelaagd cultuurlandschap op deze afstand. Een onvoorstelbaar narratief, een ongelofelijk rijke schat, die we hebben gemaakt tot wat het nu is en die ons heeft gemaakt tot wie we zijn.’ Maar, vult hij aan, in termen van planning tegelijkertijd uiterst kwetsbaar. ‘Want maak je er een metropool in traditionele zin van, met Amsterdam als centrum en alles daar omheen, of een soort Los Angeles zoals al is gebeurd in het gebied Rotterdam, Den Haag, Delft, Leiden, Zoetermeer, Alphen. Daar doet elke wethouder afzonderlijk aan planning zonder een overall-visie. In Brabant dreigt dat ook te gebeuren. Of zijn we juist in staat om een hoogwaardig cultuurlandschap te creëren met steden die hun eigen identiteit hebben op basis van een eigen geschiedenis die met elkaar zo’n subliem land opleveren?’

De vragen over de planning vanuit dat perspectief, die Geuze zelf stelt, zijn een opmaat naar het gesprek over de Startnota Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de uitdaging om keuzes te maken over inrichting van Nederland voor de komende dertig jaar.
‘Dat we van 26 naar 1 wet en van 5000 wetsartikelen naar 350 moeten, lijkt mij evident. En ook dat procedures eenvoudiger moeten, er samenhang in het beleid moet komen en dat we beleid per gebied integraal moeten afstemmen; beter betaalbaar, voorspelbaar en transparanter.’ Maar Adriaan Geuze betwijfelt of we met die vereenvoudiging het échte dilemma aanpakken. Hij maakt bij de projecten die hij voor West 8 doet bij wijze van spreken dagelijks mee wat er niet goed gaat. ‘De ruimtelijke ordening is een industrie geworden gedomineerd door managers en juristen die de regels en procedures bewaken. We hebben er een mega-ingewikkeld proces van gemaakt, beheerst door een complex maatschappelijk middenveld van belangengroepen die zichzelf in die positie hebben gelobbyd.’

Dat is wel gebeurd om allerlei maatschappelijke belangen te dienen, die wij allen belangrijk vinden. Denk aan gezondheid, veiligheid, natuurbescherming.
‘Dan moeten we beleidskeuzes maken, voor wat het ook waard is, want met beleid kun je de gracht dempen. Dan heb je namelijk nog niets geleverd, alleen bezworen dat het goed komt. Te vaak eindigt het daar in Nederland. Daar zou het pas moeten beginnen, met programmering, investeringen en uitvoering. Die planning moet niet een gevangenis zijn, maar flexibiliteit bieden en continuïteit.’

Geuze vindt het een beperking van de NOVI dat deze zich beperkt tot de ruimtelijke ordening, zoals we die van de afgelopen zestig jaar kennen.
‘De analyse van de trends en uitdagingen is best goed beschreven. Toch is het blikveld vrij eng. Ik ben een wetenschapper, dus ik heb de neiging om de traditie met planning iets ruimer te bekijken dan waar we nu zijn met vijfduizend wetsartikelen. We hebben duizend jaar lang ons land tegen het water beschermd, nieuw land gewonnen door zeebodem droog te pompen, het land ingericht. In de hele wereld hebben ze daarvoor diepe bewondering. Ze identificeren ons met het land maken. Dat is onze traditie. Neem dus niet de puinhopen van vandaag als vertrekpunt, maar die duizend jaar. Daar zitten slechte ervaringen bij en geweldige glorieuze momenten. Van allebei kun je veel leren.’

Geef eens een paar sprekende voorbeelden.
‘Neem de kopmannen als Lely en Berlage. Juist door te leren van de mislukkingen op het spoor, de sociale ontwrichting bij de veenontginningen, de enorme stedelijke groei, kwamen deze infrastructuur- en stadsontwerpers tot betere technieken en organisatie van het werk. Mijnen, verdedigingswerken, waterlinies, de grote stadswerken, werden ontworpen en gebouwd vanuit een fundamentele kritiek op de blauwdrukplanning. Die ging totaal niet uit van een systeem, een samenleving, van het besef dat wonen en welzijn ook aandacht behoefden. Van 1891 tot 1918 was Lely drie keer minister van Waterstaat, en de eerste twee termijnen ook van Handel en Nijverheid. Hij nationaliseerde de spoorwegen, vanuit de gedachte dat als je de steden echt wilt verbinden, je één spoorbreedte moet maken en dat je als rijksoverheid moet investeren in bruggen en twee of drie werkplaatsen in het land moet bouwen waar je alles repareert. De technische hogescholen gingen de kennis leveren om de technieken te verbeteren. Inzichten van de bodemmechanica werden ingezet om een steviger fundament voor de infrastructuur te krijgen.'

'Zo deed hij dat ook met de nationalisatie van de mijnen en de Zuiderzeewerken, allebei georganiseerd vanuit de verbinding van markt en onderwijs, en de toepassing van nieuwe technologie. De beste en slimste mensen werden erbij gehaald. Dus niet via een tender, wie kan het voor de laatste prijs, maar op basis van kwaliteit en kennis. En zodanig dat alle Nederlanders ervan profiteerden, door de aanleg van nieuwe infrastructuur, door lagere energie- en voedselprijzen voor iedereen. Berlage deed hetzelfde in onze steden, Amsterdam voorop. Die stad moest zichzelf heruitvinden, uitbreiden en verdubbelen. Hij ontwierp stadsdelen en wijken met een sociale gelaagdheid, die een weerspiegeling was van de samenleving, met woonplekken voor gemeenteambtenaren, onderwijzers, arbeiders. Onderwijs en maatschappelijke voorzieningen kregen gelijkmatig een plek, net als winkels, groen en wegen. De Olympische Spelen organiseerden ze erbij, geen probleem.’

Wat moeten we dan vooral van deze grote bouwmeesters leren?
‘Het was niet alleen beleid, het werd gemaakt. Ze leverden. Niet alles werd in één keer gerealiseerd, maar stap voor stap, aangestuurd vanuit de rijksoverheid, democratisch gelegitimeerd en uitgevoerd door een uitvoeringsdienst die regionaal was georganiseerd. Die kreeg de opdracht om de opgave eigen te maken, op locatie, met uitzicht op de mensen en het werk. Simpel en pragmatisch. Het bleek een prima manier om een nationale agenda te realiseren met implementatie op regionaal en lokaal niveau. Planning en innovatie waren gekoppeld. Tegelijkertijd was planning een culturele daad met legendarische weg- en waterbouwwerken, vernieuwende bouwtechnieken en schitterende architectuur. Berlage bouwde een echt gemengde stad, terwijl onze steden nu steeds verder segregeren. In de stad wonen alleen nog mensen die heel rijk of hip en cool zijn, en mensen met een lage opleiding, werklozen, migranten en illegalen. De middenklasse is er praktisch verdwenen. Die wonen in hun eigen getto’s op het platteland.’

Waar is het dan fout gegaan?
‘Die traditie die we van generatie op generatie hebben ontwikkeld en door ingenieurs is vervolmaakt tot een planningssysteem waar de hele wereld met bewondering naar kijkt, kwam ten einde in de jaren zestig. Er kwam qua ruimtelijke planning een taboe te liggen op verandering. We gingen spreken van ruimtelijke ordening, we gingen de toekomst definiëren door middel van beleid en juridificering. Met die institutionalisering, vanuit de overtuiging dat elke Nederlander alleen nog maar rechten heeft, is de planning impotent gemaakt. Iedereen gelooft ook heilig dat ie overal recht op heeft. Daar heeft die planningsdoctrine enorme voeding aan gegeven. We gingen procederen, omdat de hele samenleving mee moest kunnen denken. Dus je ging erin met een visie, je kwam eruit met spaghetti. Niemand is eigenaar, en er is ook niet de verplichting dat een investering zichzelf terugbetaalt. De procedure heeft geen enkele plek voor de pragmatiek, die wij diep in onze Hollandse ziel altijd hebben omarmd, de common sense. Als je de procedures maar volgt!’

Wat moeten we nu doen?
‘Haal de beste elementen uit het systeemdenken weer terug. Benoem enkele vitale domeinen als mobiliteit, duurzame energiewinning en landbouw, zet de knapste mensen uit dat veld bij elkaar, laat ze een plan ontwikkelen, begin klein, experimenteer en rol het daarna stap voor stap uit. Geen masterplan-denken, omdat het anders te ingewikkeld wordt. Dat loopt fout, laat de hsl zien, net als het fiasco met de communicatiesystemen bij de politie en de Belastingdienst, de zorgdecentralisatie. Ik schaam mij tegenover mijn collega’s en relaties in het buitenland helemaal te pletter als onze hsl ter sprake komt. In Japan hadden ze tijdens de Olympische Zomerspelen in 1964 al de eerste lijn van de Shinkansen gereed. Het netwerk van snelle spoorverbindingen was een nationaal symbool van modernisering. Hier rijdt onze eigen Fyra nog steeds niet. Tenderen, zoals wij dat nu doen, leidt tot snel en zogenaamd goedkoop leveren, maar de vraag is of het duurzaam is in de breedste zin van het woord. Die juristen hebben we zeker nodig, maar ook economen, ontwerpers, ingenieurs, die ervaring hebben met het vormgeven en bouwen van grote stedenbouwkundige, landschappelijke en infrastructurele werken. En niet te vergeten de ondernemers, de boeren. We zijn een hoogwaardige kennissamenleving. Andere opties hebben we niet meer. We hebben bepaalde dingen waar we goed in zijn en zelfs beter dan anderen, daar moeten we in investeren en de samenleving omheen bouwen. Zoals we altijd hebben gedaan. De fysieke omgeving is niet de basis, de economie is de basis.’

 

​In ROm 5, mei 2017, een uitgebreid interview met de bekende landschapsarchitect. Dit is een verkorte versie.