Planologen en stedenbouwkundigen zijn immer op zoek naar de heilige graal in de ruimtelijke ordening: ruimtelijke kwaliteit. Het is een graal die veel belooft, maar zich weinig laat (be)grijpen. Talloze pogingen zijn er gedaan om ‘kwaliteit’ te omschrijven.

Veelgehoorde definities gaan over ‘belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde’. Of over de ‘juiste functie’, de ‘juiste plek’, de ‘juiste vormgeving’. De provincie Overijssel definieert ruimtelijke kwaliteit volgens internet als volgt: ‘Het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is.’ Vroeger, bij de provincie Gelderland, heb ik er ook al bijeenkomsten over meegemaakt, met vergelijkbare woordkeuzes.

Juist, geschikt, waarde. Maar onze mooie woorden hebben niet weten te voorkomen dat er talloze ruimtelijke mislukkingen zijn gerezen. Want het probleem met al onze kwaliteitsdefinities is dat die ons niet vertellen hoe we een gebied nu eigenlijk moeten inrichten. Ruim? Dichtbebouwd? Veel parkeerplaatsen? Groen? Divers? Gericht op verblijf of op doorstroming? We hebben dan misschien wel definities, maar geen gebruiksaanwijzing.

Robert Pirsig schreef in 1974 in Zen en de Kunst van het Motoronderhoud al dat kwaliteit wel kenbaar, maar niet definieerbaar is. De enige begaanbare weg is daarom het kenbare. Met een start in de realiteit, in plaats van de theorie. De vragen worden dan: welke bestaande menselijke omgevingen maken zich aan ons kenbaar als omgevingen met kwaliteit? Welke gebieden trekken veel mensen aan? Mensen die kwaliteit herkennen, het willen ervaren, er deelgenoot van willen worden? Welke gebieden gedragen zich als magneet?

Wie met die bril om zich heen kijkt, ziet al snel patronen. Zo trekken bijvoorbeeld Amsterdam, Gent of Dublin veel mensen aan. De woningmarkt is er krap, er zijn veel ondernemers, veel bezoekers. Steden die veel minder mensen trekken, zijn bijvoorbeeld Almere, Wolfsburg of Milton Keynes.

En op stadsniveau lopen de drommen wel graag in De Pijp, maar niet in Slotermeer. Wel in Prenzlauer Berg, maar niet in Marzahn. Ik zou zeggen: kijk eens rond in die verschillende soorten omgevingen en benoem welke ruimtelijke ingrediënten mensen aantrekken en welke niet. En, daaraan gekoppeld: voor welke omgevingen hebben mensen veel geld over?

Mijn voorlopige stelling luidt dat besloten stedelijkheid op menselijke maat een grote succesfactor is. Dus: dichtheid, kleinschaligheid, diversiteit, gesloten bouwblokken, functiemenging, een beetje spontaniteit, met een geringe rol voor de auto.

Als we meer ruimtelijke kwaliteit willen, dan moeten die ingrediënten dus vaker worden gebruikt bij de ruimtelijke kookkunst. Is dat geen mooie startoverweging voor de vele omgevingsvisies die de komende jaren zullen verschijnen?

Martin van der Maas
mail@martinvandermaas.nl
@MartinvdMaas