Wiebe Oosterhof reageert op Jan-Willem Wesselink. 'Niet ontwerpers en bestuurders, maar ingenieurs (lees beheerders) stonden aan de lat van de verandering'

Beheerders moeten doen waar ze goed in zijn: instandhouden van het bestaande. Met die rigide stellingname pareerde Jan-Willem Wesselink een oproep van Wiebe Oosterhoff dat beheer weer sexy moet worden. Een reactie van Oosterhoff kon niet uitblijven. 'Niet ontwerpers en bestuurders, maar ingenieurs (lees beheerders) stonden aan de lat van de verandering.'

Door: Wiebe Oosterhoff, strategisch adviseur Stadsbeheer Almere

Op de website Stadszaken las ik de reactie van Jan-Willem Wesselink ('Beheerders zijn niet sexy') op mijn opiniestuk in binnenlands bestuur over de rol van het beheer bij de stedelijke transitieopgaven ('Maak beheer sexy', d.d. 28 juli). Wesselink stelt onder meer dat de sleutel voor oplossingen bij stedelijke vraagstukken niet ligt bij de beheerders, maar bij ontwerpers en bestuurders. Beheerders moeten zich volgens Wesselink alleen bezig houden met het in stand houden van het bestaande. Daarnaast is Wesselink van mening dat transities in steden ongewenst zijn en vooral bestaande patronen kapot maken.

Dit vraagt om een reactie.

Met Wesselink ben ik het eens dat steden aan de vooravond staan van omvangrijke vraagstukken. Waar ik het absoluut niet met Wesselink over eens ben is wie de regie moet pakken bij deze opgave. Wesselink vindt dat de bestuurders en ontwerpers deze rol moeten pakken en ik vind dit juist een taak voor de beheerder.

Wat doet een beheerder? Is hij (of zij) alleen een instandhouder, een behouder van iets wat jaren geleden ooit eens is bedacht en aangelegd? Of is een beheerder ook  iemand die nadenkt over de buitenruimte van de toekomst, adviseert over nieuwe technologieën en systemen, deze doorvoert en onder de aandacht brengt van ontwerpers en bestuurders?

Systeemveranderingen kwamen van Rose en Bertrand: beheerders

Ik vind dat een beheerorganisatie van nu op meerdere borden tegelijkertijd kan schaken en meerdere rollen kan innemen. De beheerder voelt zich verantwoordelijk voor de levenscyclus van alle elementen in de openbare ruimte. Dit vraagt een beheerder die acteert op meerdere niveaus.

Van oudsher opereren we als beheerders goed op het operationele niveau: het dagelijks veilig, heel en schoon houden van de stad. Met de uitdaging waar onze steden voor staan is er de noodzaak om ook op tactisch en strategisch niveau uit te blinken.

Dit betekent dat beheerders bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen vaak de eersten zijn die de behoefte aan verandering signaleren en oppakken, en dat beheerders de regie pakken bij herontwikkeling en groot onderhoud en vervanging van onze kapitaalgoederen en stedelijke systemen.

Het ontwikkelen en beheren van de openbare ruimte is een corebusiness van de overheid. Dit betekent ook dat de overheid nieuwe vraagstukken in de openbare ruimte agendeert. De overheid neemt het voortouw bij het oplossen van complexe vraagstukken die op steden afkomen.

Veel van deze vraagstukken vragen om hoogwaardige ingenieurskennis op het gebied van onder meer afval-, water-, grondstoffenstromen. Beheerorganisaties beschikken als geen ander over deze kennis. Kennis waarmee ontwerpers en bestuurders kunnen worden uitgedaagd.

Maar, er moet wel een knop om in de beheer- en de ontwerpwereld. Beheer moet niet, zoals Wesselink beweert, alleen gericht zijn op het in stand houden. Beheer moet meer dan ooit ook gericht zijn op doorontwikkeling en het ontwikkelen van nieuwe oplossingen voor de openbare ruimte.

Veel systemen die we ooit hebben bedacht en die we nu in stand houden staan zijn aan vernieuwing toe. Voorbeelden zijn water- en rioolsystemen die klimaatproof en circulair zijn, alternatieven voor gassystemen, inzet van verlichting- en energiesystemen voor smart cities, ons wegsysteem geschikt maken voor zelfrijdend vervoer.

Hiervoor is hoogwaardige kennis nodig: vakmensen die technische innovaties kunnen verbinden met ontwerpers en bestuurders. Het is aan de ontwerpers om de technische vernieuwingen ruimtelijk te vertalen.

Transities zijn niet slecht, zoals Wesselink beweert. Transities horen gewoon bij de ontwikkeling van steden. Neem het Waterplan van Rose in Rotterdam of het riool- en watersysteem van Bertrand in Parijs aan het eind van de 19e eeuw. Dit zijn systeemvernieuwingen ooit bedacht door ingenieurs (lees beheerders). Zij zorgden er voor dat ontwerpers mooie singels en boulevards konden ontwerpen en de bestuurders konden scoren.

Misschien moeten we daarom de naam ‘beheer’ niet meer gebruiken. Ik ben het eens met Linda Molenaar, directeur Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam.  Zij stelde in haar redevoering tijdens het Nationaal Congres Openbare Ruimte in 2016 dat het beheer het nieuwe ontwerp is.