Stop het spreken over periferie en krimpregio’s. Wees je bewust van het onbedoelde effect van beleid en regelgeving, juist voor ‘krimpgebieden’

En ondertussen in de Achterhoek (2)

De stad is in trek. Maar ook de gebieden daarbuiten verdienen de aandacht. Stop het spreken over periferie en krimpregio’s. Wees je bewust van het onbedoelde effect van beleid en regelgeving, juist voor ‘krimpgebieden’. Richt je op de sterke punten en de kansen van iedere regio. Iedere regio kan een ‘Plaats van Hoop’ zijn.

Na een leven lang in Den Haag gewoond en gewerkt te hebben zijn wij met onze familie naar de Achterhoek verhuisd. Bij het onderzoek, dat aan de koop van ons boerenerf vooraf ging, hebben we uiteraard contact gezocht met de gemeente Berkelland. Op onze vraag naar mogelijke meerdere woonfuncties op ons perceel antwoordde de betreffende ambtenaar met de historische zin: ‘dat zal niet gaan, want de Achterhoek is immers een krimpregio’. Mijn tegenargument, dat met onze vestiging het aantal volwassenen zou toenemen van (toen) één naar zes en het aantal kinderen van (toen) nul naar in ieder geval twee en wellicht meer in de toekomst maakte geen indruk. Hij probeerde mij uit te leggen, dat door een extra woonfunctie op ons erf de mogelijkheden voor woningbouw in ons dorp zouden worden beperkt.

Mooi, dat de NRC aandacht besteed aan ‘RandLand’[1], de wereld buiten Amsterdam en de Randstad. Ook enkele prominente architecten, zoals Rem Koolhaas (bezig met de tentoonstelling ‘Countryside: the future of the world’ in het Gugenheim museum in New York) en Rijksbouwmeester Floris Van Alkemade (met zijn essay ‘de emancipatie van de periferie’) zetten hun spot op de groene gebieden waar minder mensen wonen en naar toe trekken. Wat mij betreft welkome aandacht, omdat er in onze toch al polariserende samenleving nieuwe, onnodige ‘wij – zij’ tegenstellingen worden geïntroduceerd.

Eén onnodige tegenstelling is die tussen ‘centrum’ en ‘periferie’, tussen de Randstad en de rest van Nederland. In een artikel in de NRC wordt burgemeester Mulder van Hulst aangehaald: ‘Als we dertig kilometer van Den Haag zouden liggen, zou niemand ons periferie noemen’. Raak wat mij betreft! Een mooie afspraak zou zijn om onze beschouwing over de positie van iedere regio te starten op het niveau van Noord-West Europa. Op die schaal zijn (al heel lang) drie stedelijke concentraties te onderscheiden: de Randstad, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied. Iedere regio in ons land kan ten opzichte van die drie stedelijke regio’s worden gepositioneerd. Hier in de Achterhoek bevinden we ons op korte afstand van zowel de Randstad als het Ruhrgebied. Dat is juist één van de sterke punten van deze regio. Dus niets periferie.

Een tweede onnodige tegenstelling is die tussen ‘krimp’ en ‘groei’ gebieden. Voor heel West Europa geldt, dat al lang sprake is van een trend richting vergrijzing en ontgroening. Daarbij doen zich tussen, maar ook binnen regio’s, faseverschillen voor. ‘Krimp’ is niet iets voor de rest van Nederland, maar komt ook in de Randstad voor. Maar daar spreken we dan weer niet van ‘krimpgebieden’. In een NRC-artikel wijst burgemeester Beukema van Delfzijl op risico van onnodige stigmatisering. Mijn eigen wethouder Patricia Hoytink benadrukt dat de term ‘krimpregio’ de lading niet dekt. Onze Achterhoek is zoveel meer dan een ‘krimpregio’. Een mooie afspraak zou zijn om voor elke regio in ons land niet alleen de zwakke punten en de bedreigingen op een rij te zetten, maar ook de sterke punten en de kansen. In het dossier ‘kwaliteit door identiteit’ onderzoekt Ruimtevolk hoe steden en regio’s hun DNA inzetten als kapitaal. Ruimtevolk stelt dat ook ‘bij het opstellen van omgevingsvisies het kennen van je DNA een uitgelezen vertrekpunt is voor toekomstige ingrepen in stad en land’. Hier in de Achterhoek heb je het dan ook over de kracht van het coulisselandschap, het culturele erfgoed van kastelen en landgoederen, de gemeenschapszin en de kansen van de moderne maakindustrie.

En als we dan toch afspraken aan het maken zijn: laten ‘ze in Den Haag’ ook stil staan bij de perverse prikkels, die van regelingen en beleid uitgaan. In een NRC artikel worden er al een paar genoemd: het potje in Den Haag voor krimpgebieden is er zo één. Wethouder Smit uit De Marne stelt dat de duiding krimpregio ‘een manier is om geld te krijgen’. Het gaat dan om een potje van 11 miljoen euro, jaarlijks door het rijk te verdelen onder 45 gemeenten. Dus ‘klein bier’ vergeleken met bijvoorbeeld de jaarlijkse investeringen van het rijk in infrastructuur. Ook de regelgeving rond de landsgrens is typisch iets waar ‘Den Haag’ zich druk over moet maken. Hoe lang horen we al uit Limburg dat zij hun kansen als sterk verstedelijkte regio dichtbij Aken niet kunnen verzilveren door nationale regelgeving? Vanuit de Achterhoek zou ik daar het hele stelsel van afspraken tussen rijk- provincies en gemeenten rond de woningmarkt aan toe willen voegen. Heel veel discussie blijkt hier te gaan over de verdeling van woningcontingenten tussen steden, dorpen en het buitengebied. Ik wist overigens niet dat overheden nog contingenten konden verdelen. Ondertussen wordt onder het mom van ‘krimpregio’ hier in de Achterhoek onvoldoende voorzien in de koopkrachtige vraag naar wonen in het buitengebied en loopt de regio investeringen in de toekomst mis.

Toen ik eind jaren tachtig van de vorige eeuw betrokken was bij het nationaal ruimtelijk beleid (VINEX), had de nationale overheid aandacht voor alle regio’s van ons land, zowel de dichtbevolkte, de matig verstedelijkte als de weinig verstedelijkte gebieden. Daarbij was er dus ook aandacht voor de regio’s, die nu ‘krimpregio’s’ worden genoemd. Toen was krimp nog geen thema, maar leefbaarheid van weinig verstedelijkte gebieden wel. Het tegelijkertijd voorkomen van ‘overdruk’ en ‘onderdruk’ is van alle tijden. De lijn, die toen werd uitgezet lijkt mij nog steeds actueel: daag elke regio uit om met een toekomstperspectief te komen, dat aansluit bij de kracht van die regio, de sterke punten en de kansen. En vertaal dat perspectief in een meerjaren investeringsplan. En onderzoek welke partijen bereid zijn om dat mede waar te maken. Dus ook alle overheden. En dus ook de rijksoverheid met alle sectorale potjes en potten die er toe doen. Voor zo’n toekomstperspectief heb je een inspirerende toekomst agenda nodig. Als ik de plannen van veel regio’s zie dan bekruipt me dat we nog steeds bezig zijn met de agenda van 25 jaar geleden. Steeds weer herhalen de discussies zich over bouwen in de stad of in de wei, over de groei (of de grenzen aan de groei) van Schiphol, de intensieve landbouw, het verkeer, de distributiesector. Voor alle regio’s in ons land is de vernieuwing van de agenda van het grootste belang. Een agenda voorbij de lineaire, fossiele tijd en het mono functioneel ruimtegebruik. Een agenda, die de kansen ruikt van circulair, duurzaam, meervoudig en van de mensen in de regio. Jong en oud. Waarom de schaarste zoeken als je een zee aan mogelijkheden hebt?

Met de nieuwe Omgevingswet worden ook alle gemeenten en provincies uitgedaagd om met een lange termijnvisie, een omgevingsvisie te komen. Dat is dus een niet te missen kans om een toekomstgerichte agenda te komen. Daarbij kan de manifestatie ‘Places of Hope’[2] een bron van kennis en inspiratie zijn. Door curator Maarten Hajer en zijn mensen wordt in Leeuwarden gewerkt aan de nieuwe agenda voor Noord-Nederland en voor alle andere regio’s van Europa. Bij de opening van de tentoonstelling stonden vier landmakers op het podium: mensen, die in de praktijk van Parkstad, Ameland, de Cleantech regio en Holwerd de toekomst concreet vorm geven. Mensen met een visie, daadkracht, verbindend vermogen en een lange adem. Ieder met een uniek eigen verhaal over de toekomst van hun regio. Maarten Hajer riep alle aanwezigen op een voorbeeld aan deze landmakers te nemen en werk te maken van nieuwe regionale verhalen. Alle regio’s van ons land verdienen dat, of ze dicht bij, of ver van ‘Den Haag’ liggen, of er nu veel of weinig mensen wonen en of er nu mensen bij komen of af zullen gaan.

Ik zou zeggen bestuurders, burgers en ondernemers uit alle windstreken van Nederland bestel een bus. Kom naar Leeuwarden en zet je regio op de kaart als ‘Plaats van Hoop’.

Hans Leeflang is landmaker, verhalenvanger en begrip kweker in de Achterhoek. Tot voor kort werkte hij als adviseur ruimtelijke activering van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. 45 jaar maakt hij zich al druk over de publieke zaak. Hij was nauw betrokken bij de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ontwikkeling van Nederland (Extra), de VINEX. In zijn columns voor Stadszaken deelt hij wat hem bezig houdt op enige afstand van ‘Den Haag’.

 

[1] Een serie artikelen, gestart in de weekend editie van NRC van 31 maart/1 april 2018.
[2] Vanaf 4 april tot 25 november 2018 in de Kanselarij in Leeuwarden: http://placesofhope.nl