De komende jaren moet het bouwtempo flink worden opgevoerd om in de groeiende woonvraag te kunnen voorzien, maar wie neemt de regie?
Wienke Bodewes:

De komende jaren moet het bouwtempo flink worden opgevoerd om in de groeiende woonvraag te kunnen voorzien, maar wie neemt de regie? Met deze vraag wendt Bart Reuser van Next Architects zich tot prominenten in de woonsector. Deze week: Wienke Bodewes, algemeen directeur van Amvest.

1. Wat is uw visie op binnenstedelijk bouwen?

‘Je kan pas sturen als het rijdt. Laten we daarom met het begin beginnen. De crisis heeft een aantal mensen op het verkeerde spoor gezet. Vanaf 2006 is er verwarring ontstaan over de vraag of er vraag was. Nu is er een tekort aan bijna alles: koop, commerciële huur, soms zelfs sociale huur. Om die achterstand in te lopen, moeten we behoorlijk ontwikkelen. Wij laten op heel veel plekken zien dat dat heel goed binnenstedelijk kan. Dat kan snel en ook zonder dat er geld bij moet. Maar om op te schalen kun je niet op één paard wedden. Slechts 20 procent haalt de eindstreep op tijd. We moeten daarom veel tegelijk plannen, in plaats van na elkaar.’

2. Kunnen gemeenten dat?

‘Veel overheden hebben tijdens de crisis de capaciteit stilgezet, geen voorinvesteringen meer gedaan. Veel van wat er nu op de markt komt, zijn oude plannen. Veel moet dus helemaal opnieuw in gang worden gezet. De enige manier waarop gemeenten dat effectief kunnen doen, is door meer uit te besteden of aan marktpartijen over te laten. Gemeenten zijn daar huiverig voor, omdat ze controle willen behouden. Maar alles zelf doen is niet synoniem aan meer grip. In Cruquius (Amsterdam-Oost, red.) doen wij alle aankopen en maken alle plannen aan de hand van enkele simpele stedenbouwkundige richtlijnen van de gemeente, die daarmee ook grip heeft. En het mooie is: wij hebben geen enkele zienswijze van de buurt ontvangen. Het is een kwestie van een goede voorselectie organiseren.’

3. Ziet u ook nog een rol weggelegd voor het Rijk?

‘De opgave rijkt verder dan de individuele verantwoordelijkheid van steden. Steden moeten dat samen met buurgemeenten doen. Dat kan alleen maar door samen te werken en ook minder dichte woonmilieus realiseren. Het Rijk en de provincie moeten in grove lijnen sturing geven aan de bouwopgave, maar niet tot op de vierkante meter. Of er nu un Zaandam of in een buurgemeente gebouwd gaat worden, dat is hun zaak en niet die van het rijk of de provincie.'

4. En financiële hobbels waar vaak van wordt gesproken?

‘Binnenstedelijk bouwen kost vrijwel altijd geld. Maar té dure projecten in de stad moet je niet maken. Dat genereert oneigenlijke concurrentie en verdringt andere, waardevolle functies. Subsidies geven aan de ontwikkelaars en bouwers werkt vaak averechts; het wordt niet beter als er geld bij komt. Laat de overheid geld steken in zaken waar zij verantwoordelijk voor is, zoals een kwalitatief hoogwaardige openbare ruimte en goede infrastructuur. Verder ben ik een beetje huiverig voor een overheid die wil regisseren. Laat gemeenten maar zien wat ze kunnen, en laat ze met elkaar concurreren. Sta gemeenten die écht willen bij met de aanleg van cruciale publieke voorzieningen zoals infrastructuur. Spreek andere gemeenten aan op ambitie. Gemeenten die niks willen, komen niet in aanmerking voor support.’

5. Welke rol ziet u dan voor uzelf weggelegd?

‘Wij houden van gemeenten die ons uitdagen, vanuit een visie. Vanuit onze ervaring en positie als langetermijbelegger denken we graag mee. Koester als gemeente ook langetermijndenkers zoals corporaties. Pas op voor de opportunisten.'

6. Tot slot, welke drie punten moeten onderdeel uitmaken van een agenda voor stedelijk bouwen?

a. Daag gemeenten uit tot samenwerking en visie door te belonen in plaats van subsidiëren.
b. Overheid hou je bij je leest, en durf te vertrouwen op de partijen waarmee je samen moet werken.
c. Blijf af van de wettelijke kaders, die hoeven niet te veranderen.