Naast een enorme vooruitgang in de woonkwaliteit van laaggeschoolde Nederlanders, betekende de sociaaldemocratische interventie ook een bevoogdende houding

De Nederlandse stadjes hebben het sinds 1900 hard te verduren. Het begon met de Woningwet (1901). Naast een enorme vooruitgang in de woonkwaliteit van laaggeschoolde Nederlanders, betekende de sociaaldemocratische interventie ook een bevoogdende houding ten opzichte van de verworpenen der aarde. 

Dat stadse leven moest zoveel mogelijk gemeden worden, wat resulteerde in Hollandse varianten van de Garden Cities. Ook de modernisten moesten niets van de stad hebben en creëerden vanaf de jaren ’30 monofunctionele gedrochten waarbij elke vorm van spontaniteit en diversiteit buitengemetseld werd.

Na de oorlog nam de rijksoverheid het roer van de stedelijke bestuurders over en ontmanden met overloopbeleid, gebundelde deconcentratie, groeikernen en later VINEX-locaties de creatieve en economische potentie van stevige concentraties van stedelingen in gemengde setting. Maximale agglomeratievoordelen hebben de paar steden met meer dan 200.000 inwoners de Nederlandse economie nooit opgeleverd. Gerenommeerde internationale instituten als de OECD en The Economist Intelligent Unit hebben daarvoor recent nog gewaarschuwd. 

Voortschrijdend inzicht is er gezien de binnenstedelijke bouw oriëntatie vandaag de dag wèl bij de lokale bestuurslaag, maar de rijksoverheid blijft Oost-Indisch doof. Zij zal daar haar politiek-electorale redenen voor hebben, maar het blijft een ondermijning van de economische groei. Want stedelijke gebieden, plekken waar veel verschillende mensen om verschillende redenen op verschillende momenten van de dag aanwezig zijn, zijn de motoren van de kenniseconomie en zorgen voor groeiende economie.

Antistedelingen schermen vaak met de politiek correcte opvatting dat we af moeten van het groeimodel. Maar economische groei is welbeschouwd niet meer dan verhoging van de arbeidsproductiviteit, en dus verhoging van de persoonlijke welvaart. Hoofdsteden als Amsterdam, Parijs en Londen zorgen  voor een gemiddelde welvaartsverhoging van ’s lands ingezetenen van tussen de 6 en 14 procent.

De daarvoor noodzakelijke Amsterdamse inbreidingsgebieden als de Sluisbuurt en Haven Stad kunnen alleen maar een succes worden als ze via hoogwaardig openbaar vervoer worden verbonden met de economisch florerende centrumstedelijke gebieden, opdat ze zelf daarvan onderdeel worden (met alle positieve economische gevolgen van dien).

Investeren in openbaar vervoer is verhoging van de welvaart. Investeren in asfalt heeft daarentegen een contraproductief effect. De door de miserabele anti-stedelijke planningstraditie gegenereerde fileproblematiek in Nederland, wordt door onze landelijke overheid niet te lijf gegaan door financiële injecties voor het eindelijk volwassen worden van het Randstedelijke metro- en lightrailnetwerk dat broodnodig is voor de verdichtende steden, maar door de rücksichtslose aanleg van duizend kilometer vers asfalt. Ik heb al eerder gewezen op kapitaalvernietiging door de aanleg van de Parkstadring in de Oostelijke Mijnstreek. De rijksoverheid blijft stijfkoppig: de zoveelste miljoeneninvestering op de A2 (Deil – Den Bosch) en de A58 (Breda Tilburg) staat op stapel. Er blijft amper geld over voor elementaire verbetering van het openbaar vervoer in Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Het Amsterdamse ‘metronetwerk’ is een lachertje vergeleken met dat van steden met ongeveer dezelfde inwoneraantallen als Frankfurt, Boston en San Francisco.

Wegen slibben dicht, treinen, metro en ander openbaar vervoer zitten bomvol. Je hoeft heus niet de slimste mens te zijn om je te realiseren dat verdichting van steden helpt bij het verlichten van die verkeersdruk. In plaats daarvan worden ook in steden waar zowel bevolking, aantal werknemers en bezoekersstromen toenemen, bus- en tramlijnen opgeheven en andere bezuinigingen op het openbaar vervoer doorgezet.

In de meerjarenbegroting voor infrastructuur (MIRT) gaat alle aandacht uit naar interstedelijk asfalt. Dat is direct schadelijk voor de economie, maar ook indirect doordat spreiding geaccommodeerd wordt. Dit is ook slecht voor het milieu. Het milieu aantasten ter wille van economische groei is schandelijk. Het milieu aantasten om economische groei te ondermijnen is cynisch.

Antistedelijk besturen heeft diepe wortels, en past bovendien in de hedendaagse stad-land polarisatie. De Nederlandse bevolking is uiteindelijk de dupe. Een slimme, maar meedogenloze en criminele Duitse minister zei ooit: “het volk heeft ons een mandaat gegeven, en nu wordt hen het halsje doorgesneden”.

Misschien een wat zware referentie, maar ik ben hartstikke boos.