14 april 2017 9:33 uur

Veel winkelcentra hebben het moeilijk. Overal worden pogingen gedaan om ze te ‘revitaliseren’. Er zijn zelfs hele cursussen voor. Over samenwerking, out-of-the-box-denken, en vooral over minder meters, minder regels en ruimere bestemmingen. Vooral bij dat laatste denk ik: beter laat dan nooit. 

Bestemmingsverruiming wordt vaak gepresenteerd als ei van Columbus, maar eigenlijk is het een normalisering van een rariteit. Het winkelcentrum, met de specifieke bestemming ‘detailhandel’, is een relikwie uit een tijdsgewricht met een heilig geloof in functiescheiding. We zijn daar inmiddels aardig van teruggekomen. Monofunctionele gebieden bleken vaak geen langdurige succesverhalen en niet geschikt voor allerlei vormen van blurring. Niet voor niets stuurt de gemeente Amsterdam alweer jaren op functiemenging en op multifunctionele stadsstraten.

En toch: bij detailhandel is de idee van functiescheiding hardnekkig. Dat komt alleen al door het woord: ‘winkelcentrum’ is zo ingesleten in onze westerse cultuur, dat velen concentratie als volstrekt vanzelfsprekend zien. Nog steeds verrijzen er nieuwe winkelcentra en ook binnensteden worden vaak gezien als winkelcentra. Daar komt bij dat de detailhandel zich heeft georganiseerd tot machtsfactor van belang. De ‘retail’ laat overal van zich horen en weet de wegen naar bestuurders en beleidsambtenaren goed te vinden. Detailhandelsmeters worden van bovenaf bepaald, vaak via ‘distributie-planologisch onderzoek.’ Hoewel detailhandel de markt zelve is, wordt er niet vertrouwd op de vrije markt.

De status aparte die de detailhandelsfunctie vaak geniet is niet alleen eigenaardig, maar ook giftig voor de stad.

Laatst zag ik op internet een Utrechtse nota uit 2013: ‘Vitale stadswijken, functiemenging in woonwijken’. Daarin worden mengsels gepropageerd van wonen, ambacht, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, hotels, sportvoorzieningen, horeca. Van alles, behalve… detailhandel. De status aparte die de detailhandelsfunctie vaak geniet is niet alleen eigenaardig, maar ook giftig voor de stad.

Ten eerste zijn winkelcentra niet flexibel, dus niet adaptief. Het zijn vaak eilanden in de stad, dobberend in grote, inefficiënt gebruikte parkeerterreinen. Ze functioneren sowieso onevenwichtig: uitpuilend op zaterdag rond tweeën, uitgestorven in de avond. Hun geringe aanpassingsvermogen wreekt zich vooral als de zaken slechter gaan. Leegstaande units kunnen niet anders worden gebruikt, want gij zult een winkelcentrum zijn. De bestemming is bevroren, bijbehorende huurprijzen zijn gefixeerd, investeerders en eigenaren hebben het als ‘winkelpand’ in de boeken staan. Met omzetting naar een andere functie gaan op meerdere computerschermen de alarmbellen af.

Maar dat is niet het ergste. Omdat alle energie is gericht op het gevuld houden van winkelpanden, sturen retailsector en gemeente er vaak eendrachtig op aan dat zich nergens anders in de omgeving nieuwe winkels mogen vestigen. De wijk wordt als het ware in gijzeling gehouden. Dat gaat soms erg ver: een bakkertje op de hoek mag niet, afhaalpunten voor internetverkoop mogen niet, uit de hand gelopen hobby’s (bijvoorbeeld een kussentjesmaker die ze in de vensterbank te koop aanbiedt) mogen niet, marktkraampjes mogen niet. Daarmee krijgt kleurrijk, kleinschalig ondernemerschap en sociale stijging in stadsbuurten niet de ruimte die zij verdienen.

Juist die krachten maken buurten vitaler en leuker. In het retailmodel worden bewoners verplicht om hun geld uit te geven in winkelcentra, centra die vooral zijn gevuld met zelfgenoegzame filiaalbedrijven die de kunstmatig (want: beschermde) hoge huren kunnen betalen. In feite beschermt restrictief detailhandelsbeleid de belangen van corporates, niet de belangen van bewoners. Of: de belangen van gisteren, niet de belangen van morgen.

Verdedigers van winkelcentra zeggen vaak dat solitaire winkels het economisch toch niet redden. Dan zou ik zeggen: dan hoef je ze ook niet te verbieden. Angst voor verregaande spreiding van detailhandel is sowieso ongegrond, omdat autonome krachten juist convergerend zijn. Stel dat alle winkels in een denkbeeldige stad volledig gelijkmatig zouden worden verspreid en iedere winkel daarna de mogelijkheid kreeg om te verhuizen waarheen hij wilde. Dan zou je zien dat winkels steeds meer bij elkaar gaan zitten. Want verkopers zoeken ‘traffic’. En ‘traffic’ is een zichzelf versterkend effect. Niet voor niets waarschuwde urbaniste Jane Jacobs voor de ‘selfdestruction of diversity’ en pleitte ze juist voor mengbeleid om overmatige concentratie tegen te gaan.

De toekomst is aan multifunctionele centra en aan kleurrijke stadsstraten met flexibele plinten

Kortom: stop met winkelcentra en behandel binnensteden ook niet als zodanig. De toekomst is aan multifunctionele centra en aan kleurrijke stadsstraten met flexibele plinten die eenvoudig van functie kunnen veranderen. Stadsstraten waar niet alleen retailers, maar ook en vooral bewoners worden beschouwd als probleemeigenaren en gesprekpartners. Stadsstraten zonder paniek om lege meters en met relaxte observaties van verkleuringen in de tijd. Dit soort straten zijn vaak nog populair ook.

Leegstand is meestal slechts een probleem wanneer de functie is gefixeerd. Daar moeten we dus van af. Binnensteden en andere centra worden, kortom, van place to buy naar place to be. Een leuk gevonden slogan en de spijker op de kop. En weet je wat het leuke is? De retail is er zelf uiteindelijk ook het meeste bij gebaat. Want zeg nu zelf: het is leuker en vrijer handel drijven in succesvolle stadsstraten dan in een kwakkelend winkelcentrum dat alleen met veel lobbywerk en staatsbescherming overeind is te houden.

Martin van der Maas
Planoloog bij de gemeente Amsterdam

Klik hier voor meer blogs van Martin van der Maas op Stadszaken.nl.