Foto: Steven Vance

5 vragen aan Cees-Jan Pen

Cees-Jan Pen (Fontys Hogescholen) en Herbert ter Beek (Bureau voor Economische Argumentatie) deden onderzoek naar het functioneren van Brabantse binnensteden. Hun bevindingen zijn niet mals. De kwaliteit van het binnenstadmanagement laat te wensen over. Hoe kan het wel? 5 vragen aan lector Cees-Jan Pen.

1. Jullie focussen in jullie onderzoek op de binnenstadmanager. Kun je van de binnenstadmanager structurele oplossing verlangen?

‘Die grijpen doorgaans noodgedwongen naar ouderwetse middelen: de bloembakken en de kerstverlichting. Maar dat draagt niet bij aan het oplossen van een structureler probleem: dat er te veel eenzijdig aanbod is. Maar het ligt echt niet alleen aan die managers. Die hebben vaak een onmogelijke opdracht. Binnenstadmanagers krijgen weinig geld en mandaat tot hun beschikking. Het vak van de binnenstadmanager lijkt wel wat op dat van een voetbaltrainer. De belangen zijn groot, het afbreukrisico bijkans nog groter’.

2. Jullie constateerden dat in vrijwel elke Brabantse stad een ondernemersfonds bestaat. Goed nieuws?

‘Dat zou goed nieuws moeten zijn, maar soms schiet de professionaliteit van het binnenstadmanagement tekort om extra middelen verstandig in te zetten. Net als een ambitieuze vereniging die groter groeit, moet de binnenstad BV professioneel gemanaged worden.'

'Uiteindelijk gaat centrummanagement om het professioneel runnen van een gebiedsontwikkeling'

'Dan komen vanzelf vragen op als “wat is een compact vitaal centrum", "wat betekent dit voor het bestaande winkelbestand", en "hoe verhoudt zich dit tot andere, nieuwe functies"? Dat zijn de vragen die gesteld moeten worden.’

3. Hoe maak je de omslag naar een professioneel binnenstadmanagement?

‘Dat begint met het samenstellen van een goed en onafhankelijk bestuur van een ondernemersfonds. Die geeft op haar beurt een duidelijk mandaat aan een binnenstadmanager. Daarnaast moet deze binnenstadmanager realiseren dat de transformatie naar een compact en vitaal centrum geld kost, en er veel planologische procedures mee gemoeid zijn. Dat doe je niet op één namiddag in de week, maar vraagt fulltime commitment. Uiteindelijk gaat centrummanagement om het professioneel runnen van een gebiedsontwikkeling. De belangrijkste boodschap die ik zou willen afgeven is dat binnenstadmanagement van operationeel naar strategisch niveau moet.’

4. En schoon, heel en veilig? Wie zorgt daar dan voor?

‘Dat zijn typische gemeentetaken, die te lang door binnenstadmanagers zijn waargenomen. De vraag is of je zo’n verantwoordelijkheid van de “campingbaas” neer moet leggen bij een centrummanager of uitvoeringsclub. Feitelijk is het een gemeentelijke taak.’

‘Als een centrummanager zich primair bezighoudt met beheer en onderhoud, dan zou je de vraag moeten stellen of deze nog wel nodig is. De centrummanager van morgen steekt zijn/haar nek uit. En als je werk goed wilt doet, moet je soms op tenen staan en gevestigde belangen aanpakken. Dat maakt het werk van een binnenstadmanager zo enorm complex en kwetsbaar.'

'Want linksom of rechtsom moet er lucht uit de markt en moet er meer beleving komen. Dat kan in de vorm van lagere huren, of minder meters en meer ruimtelijke kwaliteit en groen. Maar met die voorstellen maak je jezelf niet populair, niet in de laatste plaats bij vastgoedeigenaren.’

5. Hoe maakbaar is het centrum van een stad?

‘Dat is het natuurlijk niet. Amsterdam en Utrecht doen het goed als winkelstad, zonder een goede binnenstadmanager. In Brabant zijn steden als 's-Hertogenbosch en Eindhoven verzekerd van zekere aanloop en dat komt vooral voort uit een marktdynamiek. Maar de centra van andere Brabantse steden moeten gewoon compacter worden gemaakt om vitaal te blijven. Dat klinkt lekker logisch, maar het is een enorme omslag na tientallen jaren waarin alles alleen maar groter werd. Inkrimpen is veel lastiger dan toevoegen.'