Cradle to Cradle levert nuttige bijdragen aan het ontwerp van ecologisch betere producten en processen, maar is geen oplossing voor een duurzame economie.

De ‘Van Wieg tot Wieg’-benadering door politiek, bedrijfsleven en milieubeweging is trending. De filosofie levert zeker nuttige bijdragen aan het ontwerp van ecologisch betere producten en processen, maar is geen oplossing voor eindeloze duurzame economische groei.

'Zou het niet geweldig zijn als we volledig achter de industrie zouden kunnen staan, in plaats van er steeds over te klagen? Als milieuactivisten en autobedrijven samen zouden staan te juichen als iemand een oude auto door een nieuwe vervangt, omdat nieuwe auto’s de lucht zouden zuiveren en drinkwater zouden produceren? Als nieuwe gebouwen bomen zouden imiteren, zodat ze schaduw zouden geven, leefruimte voor zangvogels, energie en schoon water zouden produceren?’

'Wat zou het toch mooi zijn als de economie eindeloos kon groeien, het milieu er wel bij vaart en mensen gelukkiger worden'

Dit wensbeeld is rechtstreeks vertaald uit het boek Cradle to Cradle (2002) van William McDonough & Michael Braungart. Sinds de publicatie is het ‘cradle-to-cradle’-concept (C2C) door politiek en bedrijfsleven met gejuich omarmd. Blijkbaar is er een onverzadigbare vraag naar utopieën die voor de lastigste problemen eenvoudige oplossingen geven en die belangenconflicten als sneeuw voor de zon laten verdwijnen. Wat zou het toch mooi zijn als de economie eindeloos kon groeien, het milieu er wel bij vaart en mensen gelukkiger worden. Geen grenzen meer aan de groei om de natuur te redden, zoals de Club van Rome somberde, maar eindeloos groeien om méér natuur te laten ontstaan.

Basisprincipes

Het Cradle-to-Cradle-concept is gebaseerd op eenvoudige principes voor het ontwerpen van producten en productiesystemen, ingebed in een filosofie die de natuur als voorbeeld gebruikt voor het ontwikkelen van technisch-economische processen. Centraal staat de strikte scheiding tussen natuurlijke en technische kringlopen. Kringlopen in de natuur betreffen natuurlijke ‘nutriënten’ die, onder toevoeging van natuurlijk aanwezige zonne-energie, eindeloos in stand worden gehouden.

In technische kringlopen zien we stoffen (‘technische nutriënten’) die in de natuur niet thuishoren en volledig gescheiden dienen te blijven van natuurlijke kringlopen. Een van de centrale basisprincipes is ‘Afval is voedsel’ – Waste equals food. Daarmee wordt bedoeld dat producten en productiesystemen zo moeten worden ontworpen dat de reststoffen óf volledig in natuurlijke kringlopen kunnen worden opgenomen, óf volledig weer als ‘technische nutriënt’ kunnen worden gebruikt. Er moet dus voor gezorgd worden dat er geen ‘monsterlijke hybriden’ ontstaan, waarbij de kringlopen worden vermengd.

Het tweede basisprincipe is dat uitsluitend zonne-energie in verschillende vormen mag worden gebruikt: Use solar income. In een dergelijke wereld is de ecologische voetafdruk van producten en productieprocessen nooit negatief en zou die zelfs positief kunnen zijn (upcycling). Economische groei zou niet meer ten koste van de natuur gaan. Integendeel. Het reduceren van milieubelasting is niet meer het leidende criterium bij de ontwikkeling van producten en processen. Het gaat in deze visie dan niet meer om ‘minder slechte’, maar om ‘goede’ producten, in het boek samengevat als Less bad is no good.

Fundamentele problemen

De werkelijkheid zal er minder rooskleurig uitzien dan de utopie ons schetst. Ten eerste zijn er fundamentele problemen met dit concept. Het belangrijkste probleem is de ontkenning van de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Men kan wel beweren dat er geen afval meer bestaat, maar elke stap van een restproduct (hoge entropie) naar een bruikbare grondstof of een bruikbaar onderdeel (lage entropie) kost energie. Het volledig terugbrengen van grondstoffen in de oorspronkelijke kwaliteit kost oneindig veel energie en tijd, zoals Georgescu-Roegen (1) onomstotelijk heeft aangetoond. Zolang die energie van de zon komt, lijkt er niets aan de hand, maar men moet niet vergeten dat zelfs de opwekking van zonne- en windenergie negatieve ecologische effecten heeft, om het maar niet over de ecologische effecten van biobrandstoffen te hebben.

'De werkelijkheid zal er minder rooskleurig uitzien dan de utopie ons schetst'

Ten tweede is de aanname dat biologische ‘nutriënten’ eenvoudig in natuurlijke kringlopen kunnen worden opgenomen fundamenteel onjuist. Zoals Lucas Reijnders (2) terecht opmerkt, kunnen ook ‘natuurlijke’ nutriënten in de verkeerde hoeveelheid op de verkeerde plaats tot verstoring van de ecologie leiden.

Praktische knelpunten

Daarnaast zijn er nog veel praktische problemen die een overgang naar een cradle-to-cradle-economie in de weg staan. De eis dat alleen zonne-energie mag worden gebruikt, klinkt mooi. Op dit moment is het echter volledig onrealistisch. Het aandeel van zon en wind kan in de komende tijd zeker toenemen, maar 100% is een illusie, zeker als de vraag naar energie ook nog stijgt door het radicaal sluiten van kringlopen.

Maar zelfs als we dat probleem oplossen, blijft het de vraag hoeveel producten en processen werkelijk streng volgens de regels van cradle-to-cradle zullen worden ontwikkeld. Het gemakkelijkste gaat het bij producten die voornamelijk componenten bevatten die nog heel dicht bij natuurlijke grondstoffen staan, zoals bepaalde bouwmaterialen, reinigingsmiddelen, eenvoudig demonteerbare meubelen, et cetera. Het is geen wonder dat bijvoorbeeld het segment huishoudelektronica in het C2C-register nog schittert door afwezigheid (3).

Voetafdruk C2C-producten

Toepassing van de cradle-to-cradle-filosofie levert zeker nuttige bijdragen aan het ontwerp van beter recyclebare producten en intelligentere kringlopen, bijvoorbeeld door het opzetten van circular innovation hubs. De benadering schenkt terecht aandacht aan het scheiden van biologische en technische kringlopen en aan intelligent productontwerp dat de hoeveelheid afval sterk reduceert, onder meer door het vermijden van ‘monsterlijke hybriden’.

Maar ook C2C-producten hebben hun ecologische voetafdruk. Vaak kleiner dan conventionele ontwerpen, maar soms ook groter. Voor nog maar weinig C2C-gecertificeerde producten zijn LCA’s uitgevoerd; waar dit wel heeft plaatsgevonden, zijn de resultaten niet onverdeeld positief. De bijdrage van cradle-to-cradle-producten aan ecologische duurzaamheid is dan ook nog gering.

Het lijkt alsof de aanhangers geloven dat het hanteren van de C2C-uitgangspunten belangrijker is dan het objectief meten van de resultaten. Het ongefundeerde geloof in de onbeperkte beschikbaarheid van zonne-energie lijkt bovendien tot een blinde vlek voor energie-aspecten te leiden.

Fantasie en werkelijkheid

De voorwaarden voor een grootschalige introductie van een C2C-economie zijn vooralsnog buiten zicht. Vooral de aannamen over de beschikbaarheid van zonne-energie zijn onrealistisch. Het is onzin te beweren dat C2C-producten ‘goed’ zouden zijn en niet ‘minder slecht’. Ook zij kunnen slechts een bescheiden bijdrage aan de vermindering van de ecologische voetafdruk leveren.

Ook groei in C2C-producten en systemen betekent vooralsnog een vergroting van de ecologische voetafdruk. Economische groei is meestal niet goed voor de natuur en dat blijft vooralsnog zo. Cradle-to-Cradle is dus een utopie. In werkelijkheid zijn de effecten niet zo mooi en zijn er grote problemen bij de vertaling naar de echte wereld. De C2C-utopie is gebaseerd op een analogie-redenering: als we in staat zijn stof-kringlopen naar het voorbeeld van de natuur te modelleren, hebben we een ‘natuurlijke’ economie, zonder afval. Er is dan slechts overvloed.

In werkelijkheid kan dat helemaal niet en blijven we gewoon afval houden en verbruiken we nog fossiele energie. In de fantasiewereld van C2C is economische groei een zegen, omdat alle producten en processen goed zijn. Zodra we fantasie en werkelijkheid niet meer weten te scheiden, wordt dat een gevaarlijke boodschap. Er wordt dan gedaan alsof al aan de voorwaarden van deze utopische wereld is voldaan. Daarmee ontaardt het C2C-concept in een argument voor onbeperkte economische groei.

In werkelijkheid kan het concept haar mooie beloftes nooit waarmaken. Daarvoor zijn de fundamentele en praktische problemen te groot. In de huidige wereld is de uitspraak ‘afval bestaat niet’ niet alleen onwaar, maar ook een grove overschatting van de reële mogelijkheden om deze in de toekomst waar te maken. 

Geen daden, maar woorden

Politiek en bedrijfsleven hebben met veel enthousiasme de C2C-filosofie omarmd, die zoveel aantrekkelijker lijkt dan de sombere verhalen over grenzen aan de groei en conflicten tussen ecologie en economie. In de cradle-to-cradle-wereld zijn er geen grenzen en zijn de conflicten opgelost. Dat klopt wel een héél klein beetje, maar we leven nog lang niet in deze sprookjeswereld.

Er zijn voorlopig grote conflicten tussen economische groei en het behoud van natuur en klimaat. Een paar cradle-to-cradle-producten zullen deze problemen voorlopig niet oplossen. Het C2C-sprookje is echter zo aantrekkelijk omdat het vrijwel geheel gebaseerd is op intenties en niet op concrete resultaten, op het geloof in de afvalloze wereld waarin iedereen het ‘goede’ nastreeft. Hier zijn alle producten en alle processen ‘goed’.

'Het C2C-sprookje is echter zo aantrekkelijk omdat het vrijwel geheel gebaseerd is op intenties en niet op concrete resultaten'

Een dergelijk kader van grote woorden en mooie intenties past ook heel goed in een symbolische politiek waarin beleidsmakers worden geprezen voor hun intenties, maar gestraft als hun beleid zich met praktische problemen bezighoudt. Het huidige afvalbeleid van de Europese Commissie staat bol van de mooie kreten over ‘circulaire economie’, maar als het om krachtig beleid gaat om het storten van afval te beperken of om eisen aan ‘ecodesign’ te stellen, dan geeft de Commissie niet thuis (4).

Het is te hopen dat politiek en bedrijfsleven zich wat meer zullen gaan interesseren voor het oplossen van echte milieuproblemen in de echte wereld in plaats van achter holle kreten aan te lopen. Bij echte problemen horen ook echte belangenconflicten en grote onzekerheden. Echte oplossingen vereisen naast deskundigheid en creativiteit de bereidheid tot het sluiten van compromissen en het versterken van overheidsbeleid. Maar misschien is dit een illusie en houden zij zich liever bezig met mooie sprookjes.

Reinier de Man en Han Brezet

Dr. Reinier de Man is zelfstandig adviseur op het gebied van duurzaamheid, gespecialiseerd in duurzaam ketenbeheer. Prof. Dr.Ir. Han Brezet is hoogleraar Duurzaam Product Ontwerpen aan de TU Delft en de Universiteit van Aalborg (DK).

Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift Milieu van VVM, netwerk van milieuprofessionals.

1 Nicolas Georgescu-Roegen, the Entropy Law and the Economic Process, 1971. 2 Reijnders, L., Are emissions or wastes consisting of biological nutrients good or healthy? - Letter to the Editor, Journal of Cleaner Production 16 (2008) 1138-1141. 3 Cradle to Cradle Certified Products Registry, www.c2ccertified.org/products/registry 10 Tijdschrift Milieu, maart 2016.

Bronnen - William McDonough & Michael Braungart, Cradle to Cradle – Remaking the Way We Make Things, North Point Press, New York, 2002. - Michael Braungart, William McDonough (Hg.), Die nächste industrielle Revolution – Die Cradle to Cradle-Community, Europäische Verlagsanstalt, Hamburg, 2009. - William McDonough & Michael Braungart, The Upcycle – Beyond Sustainability – Designing for Abundance, North Point Press, New York, 2013.