Ik word blij van de circulaire economie. En dat komt omdat de circulaire economie een businessmodel is.

Ik vond eerlijk gezegd de hele milieubeweging altijd een beetje zuur. Ik heb in de jaren negentig een jaartje Milieukunde gedaan, dus ik weet over wie ik het heb. Geheven vingertjes van: dit mag niet en dat mag niet. Het is vast allemaal goed bedoeld, maar een goed gevoel kreeg je er nooit van.

Eerder het gevoel dat je het nooit goed genoeg deed. Dat gevoel heb ik niet bij de circulaire economie. Van de circulaire economie word ik blij. En dat komt omdat de circulaire economie een businessmodel is. Dat businessmodel gaat ervan uit dat je overal geld mee kunt verdienen. Afval bestaat niet, alles is een grondstof, de cirkel moet gesloten blijven en alles moet in die cirkel blijven.

Geld verdienen

Die ondernemende insteek is ongetwijfeld de reden dat veel grote bedrijven opeens wél oprecht geïnteresseerd zijn om milieubewuster te opereren. De circulaire economie gaat over geld verdienen, en dat snappen de meeste bedrijven. Maar dat is dan wel weer een heel lineaire insteek. ‘Ik wil geld verdienen en ík doe dat nu circulair.’

Veel meer dan over geld verdienen gaat de circulaire economie over het anders combineren van vraag en aanbod. Het is opvallend dat veel van de artikelen en voorbeelden die je tegenwoordig leest en hoort gaan over het slim hergebruiken van afval. Afval bestaat niet, is de insteek. En als er wel afval is, dan moet daar een slimme bestemming voor worden gevonden. Dat kan ook vaak. In bepaalde productieprocessen zijn bijvoorbeeld edelmetalen nodig en in plaats van die te delven uit mijnen, kunnen ze ook worden gewonnen uit afgedankte apparaten.

Maar waarom produceren we dat – te hergebruiken – afval eigenlijk? Waarom maken we die spullen die in een cirkeltje terecht moeten komen überhaupt? Wie écht circulair wil zijn, moet ook op die manier zijn marktonderzoek insteken. Dan is het niet alleen de vraag óf er een markt is voor een product, maar ook of er voor die vraag al een goed alternatief bestaat. Of een alternatief dat met een beetje upgraden weer aan de vraag voldoet. Als dat allemaal niet het geval is, blijft de vraag of we aan de marktvraag moeten willen voldoen.

Creatief hergebruikt

Een markt waarin dit vrij gemakkelijk kan, is de bouw. Grote delen van de stad worden al eeuwen creatief hergebruikt. Grachtenpanden werden getransformeerd van opslagloodsen tot woonhuizen tot kantoren tot banken tot hotels. Zo zijn er tal van voorbeelden. We hoeven dus niet te bewijzen dat het technisch kan. We hoeven ook niet uit te leggen dat al die herbestemmingen niet helemaal aan de wensen van de nieuwe gebruikers voldoen. Soms is het behelpen om een kantoor te hebben in een omgebouwde kerk, maar dat zij zo.

Ik vind het vreemd dat in tijden waarin delen van onze steden leeg staan er ook nieuw gebouwd wordt. Ik vind het niet circulair dat we nieuwe bedrijventerreinen ontwikkelen (hoe duurzaam gebouwd ook) als er tegelijkertijd leegstand is. Ik vind die vraag naar nieuwe woningen, bedrijventerreinen en kantoren oneigenlijk als er in dezelfde regio leegstand is. Er is geen vraag naar nieuwe woningen, maar naar woonruimte. Geen vraag naar een bedrijfspand, maar naar werkruimte. En als er dan leegstand is, dan zit daar je oplossing. Het allermoeilijkste van de circulaire economie is het niet willen voldoen aan de vraag.

Jan-Willem Wesselink is hoofdlaborant van het Kennislab voor Urbanisme

Lees meer blogs over Urbanisme

Deze column verscheen ook op www.cobouw.nl/opinie