23 mei 2017 8:19 uur

Karin Laglas

De komende jaren moet het bouwtempo flink worden opgevoerd om in de groeiende woonvraag te kunnen voorzien, maar wie neemt de regie? Met deze vraag wendt Bart Reuser van Next Architects zich tot prominenten in de woonsector. Deze week: Karin Laglas, directeur van Ymere.

Afgelopen maart presenteerde een brede coalitie van ontwikkelaars, G32-gemeenten, Utrecht en de Vereniging Natuurmonumenten een gezamenlijk Manifest Binnenstedelijke Gebiedstransformaties. Daarin spreken ze de ambitie uit om 30% van de woonopgave binnenstedelijke te realiseren. Maar dan moet de nationale overheid wel een onrendbale top ter hoogte van 25.000 euro per woning afdekken. Wordt de discussie over de grote woningbouwopgave wel op het juiste niveau gevoerd? Onder de noemer ‘Wie neemt de regie’ spreek ik komende weken met met beleidsmakers, politici, ontwikkelaars, investeerders en corporaties. De reeks zal opgevolgd worden door een einddebat in Pakhuis De Zwijger.

1. Wat is uw visie op binnenstedelijk bouwen?

'Wij staan als woningbouwcorporatie voor de inclusieve stad, binnenstedelijk bouwen is een essentieel onderdeel daarvan maar wonen betaalbaar houden is voor ons het hoofddoel. Als je de beperkte ruimte in de stad efficiënt wil benutten moet je op de duurste locaties met een hoge dichtheid geen gezinswoningen bouwen terwijl die wel onderdeel zijn van de woonvraag, ook in stedelijk gebied. Daarom moeten we zowel de vergeten plekjes van de stad als de regio benutten om de woningopgave een plek te geven. Het is dus belangrijk, maar niet alleen'.

2. Als we ook binnenstedelijk willen bouwen, zijn we dan op de goede weg?

'We lopen achter want binnenstedelijk bouwen is moeilijk. Het is duur, het kost meer tijd, maar de grootste weerstand komt veelal uit de stad zelf, door maatschappelijke weerstand tegen bouwen. Om te kunnen versnellen moeten we daar echt iets aan doen. De inspanning die daarbij hoort is een juridisch planologisch kader wat beschermt maar zeker ook  tempo waarborgt. Natuurlijk moeten we ruimte behouden maar ook ruimte om iets door te zetten'.

3. Onderschrijft u de oproep van de opstellers van het Manifest Binnenstedelijke Gebiedstransformaties dat overheden een actievere rol moeten spelen om het binnenstedelijke bouwtempo op te voeren, en zo ja, hoe?

‘De totale woningopgave moet voorbij de gemeentegrenzen worden opgelost. Voor ons betekent dat; “op het niveau van de Amsterdamse Metropolitane Regio” (MRA). Dan kunnen we samen de locaties in beeld brengen die goed verbonden liggen in een netwerk van wonen, werken en infrastructuur, dat is voor ons ook de stad, op regionaal niveau. Dat gaat niet vanzelf want de MRA is geen bestuurlijke entiteit maar bestaat uit 33 gemeenten en 2 provincies met ieder een eigen woonvisie, elke samenwerking wordt al snel een politiek spel. De vraag is: Waar regel je belangenvrij opdrachtgeverschap voor een dergelijke opgave? Het gaat vooral om het opdrachtgeverschap voor het maken van een strategisch plan, samen met de betrokken overheden en stakeholders. Misschien ben ik dan wel wat traditioneel maar ik zie daar toch een rol voor het rijk'.

4. Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om de woonambities te verwezenlijken?

'Ook wij moeten nieuwe samenwerkingen aangaan. Voor de crisis wilden we zelf nog wel een groot gebied in ontwikkeling nemen. Naast dat het tegenwoordig niet meer mag hebben we zelf ook geleerd dat te groot ook te risicovol is. Toch hebben juist binnenstedelijke gebieden integrale plannen nodig om kosten en opbrengsten te spreiden. Dat moeten we dus samen doen en dan goed faseren en plots verdelen. Met veel samenwerkingspartners hebben we al jaren ervaring maar anderen zijn nieuw, zoals beleggers in het middendure huursegment. Daarin ligt ook een rol weggelegd voor gemeenten, koopwoningen brengen natuurlijk meer op dan sociale huur. Om die inclusieve stad te maken moet er altijd een verplicht percentage sociale woningbouw in nieuwe plannen zitten. Dat stimuleert tegelijk de samenwerking tussen partijen. Daarnaast zijn wij als corporatie de aangewezen partij om ook kleine op zich staande  inbreidingslocaties te benutten. Omdat wij veel bezit hebben in de omgeving staat een kleine investering van een paar woningen nooit op zich. Die kracht moeten wij benutten'.

5. Kunt u een aantal punten noemen die onderdeel moeten uitmaken van een agenda voor stedelijk bouwen? En wie moet dat regisseren?

‘Er moet zeker een soort metropolitaan investeringsplan komen waarop potentiele locaties zijn vastgelegd. De regie ligt bij de metropolitane partners (provincie, gemeenten) en het Rijk. Vanzelfsprekend moeten ze daarin ook de visie van stakeholders zoals wij meenemen. Daarnaast moet het juridisch planologisch kader verbeteren worden.'

6. Tot slot, willen we dit verder brengen, met wie moet ik in het vervolg van deze reeks echt gaan praten?

'Met Hans Tijl, directeur Ruimtelijke Ontwikkeling bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu'.