30 juni 2016 14:03 uur

Jeroen Hatenboer, wethouder te Enschede, wil van zijn grondbedrijf af. Een verstandige zet die navolging verdient, zegt Henry Meijdam.

Jeroen Hatenboer, wethouder te Enschede, wil van zijn grondbedrijf af. 'Een verstandige zet die navolging verdient', vindt Henry Meijdam.

Door: Henry Meijdam
Hatenboer baseert zich op de risico’s voor de overheid die mogelijkheden van de overheid te boven gaan (zie: Jeroen Hatenboer wil van zijn grondbedijf af, Stadszaken.nl 15/6, red). Terecht, maar er is meer reden om zijn pleidooi te steunen.

In het grondbedrijf doet zich de spagaat voor waarin een overheidsorganisatie op hetzelfde moment hoeder van het algemeen belang én grondeigenaar is. Als grondeigenaar heeft de gemeente belang bij de hoogst haalbare opbrengst. Als opsteller van bestemmingsplannen bepaalt zij waar in een plangebied de (winstgevende) bestemmingen mogen worden gerealiseerd. Wie één en één optelt, komt tot de conclusie dat minimaal de schijn van belangenverstrengeling ontstaat en dat, daar waar de grond tot opbrengstgevende locatie wordt bestemd, dit ook feitelijk aan de orde is. Daarmee is het een loterij zonder nieten. Je bepaalt waar de welvaart neerdaalt en bezit die posities ook nog eens zelf. Gemeenten hebben hier tientallen jaren profijt van gehad, maar willen deze positie heroverwegen nu de recessie hen als grondeigenaar getroffen heeft. Risico’s zijn nu eenmaal minder populair dan vooraf zekere winsten.

‘Hartenkreet Hatenboer is kans voor collega-wethouders om "onzuiverheid" combinatie grondeigenaar-bestemmingsbepaling collectief aan te pakken’

De combinatie grondeigenaar/bestemminsplanbepaler vormt echter vooral een spannend dilemma uit oogpunt van integriteit en zuiverheid. De combinatie levert weliswaar nog geen antwoord op wanneer de hele markt in elkaar stort, zoals na 2008, maar je bent wanneer de markt omhoog gaat wel spekkoper en hebt dat wel zelf kunnen beïnvloeden. Dat terwijl marktpartijen altijd met de pet in de hand moeten vragen om medewerking bij het bestemmen van hun locaties. Dan geldt het RO-aspect ineens in volle omvang.

Daar waar het politieke debat op dit moment struikelt over de hernieuwde victoriaanse moraalridders is het wonderlijk dat deze voorliggende spanning niet door brede lagen van de deskundigen wordt bestreden. Wellicht is het hemd nader dan de rok, wellicht is het onopgemerkt gebleven. Hatenboer heeft het nu in elk geval uit de modder getrokken en dat biedt een kans voor collega’s om collectief deze onzuiverheid aan te pakken. Dat hoeft niet morgen, maar als stip op de horizon is het wel een wenkend perspectief voor een overheid die stuurt op morele zuiverheid en voor marktpartijen die verlangen naar eerlijke concurrentie. Hulde derhalve.

Henry Meijdam is directeur van het Interprovinciaal Overleg en schrijft dit commentaar op persoonlijke titel